Patrick Lefevere: Godfather van The Wolfpack
The Godfather van The Wolfpack. Het zou de onhandige titel van een Wes Craven-film kunnen zijn, maar het is de geuzennaam van Deceuninck-Quick-Step-baas Patrick Lefevere. Niemand in het wielerpeloton was de voorbije jaren succesvoller dan de West-Vlaamse manager. En ook al is hij pensioengerechtigd, zijn honger is nog lang niet gestild.

“Hier kom ik graag,” zegt Patrick Lefevere (65) wanneer hij zijn stoel onder een tafel in sterrenrestaurant Le Chateau du Mylord schuift. In het Waalse Ellezelles, op een boogscheut van de Kanarieberg, blikken we met hem terug op een veertigjarige carrière in de wielersport. “Lekker, dit Sloveens wijntje. En op een goede temperatuur geserveerd. Veel restaurants maken de fout hun rode wijn te warm en witte wijn te koud te serveren. Neen, ik ben geen kenner, maar ik ken wel veel kenners,” lacht hij.

Terzake dan maar. Wat is zijn favoriet getal? “Soixante-neuf,” zegt hij zonder verpinken. “Of wacht: 750.. Zoveel overwinningen haalde ik sinds de oprichting van Quick-Step-Davitamon in 2003 binnen. Dit jaar waren het er zeventig. Met als hoogtepunten de zeges van Alaphilippe in Milaan- San Remo en Gilbert in Parijs-Roubaix. En de veertien dagen gele trui natuurlijk. Dat is geen overwinning, al waren we er verdomd dichtbij. Alaphilippe kraakte in de geannuleerde rit naar Tignes, maar eigenlijk had hij ’s avonds nog de gele trui moeten hebben. De jury nam de tijdverschillen op de top van de Iseran met de hand op, dat is onreglementair. En men wist al aan de voet van de klim dat het weer in de vallei niet oké was. De rit had bij de start geannuleerd moeten worden. Met anderhalve minuut voorsprong in de laatste bergetappe wil ik het wel nog eens zien. Het is de tweede keer dat een neutralisatie ons de zege in een grote ronde kost. In 2014 hebben we met Uran de Giro verloren omdat Quintana bleef doorrijden terwijl de rest was gestopt voor de rode vlag van de koersdirecteur. Ik spande een rechtszaak aan, maar de rechter verklaarde zich onbevoegd. Bij Alaphilippe heb ik geen klacht overwogen. Mijn beeltenis fungeert nu al als vogelpiekbord in de kantoren van de ASO, ik ga geen olie op het vuur gieten. Pas op, ik heb geen seconde gedacht dat Alaphilippe de Tour kon winnen. En hijzelf ook niet. Zelfs niet toen hij van Thomas en Bernal wegreed op de Tourmalet. ‘La rage, dat dreef me Patrick,’ zei hij na die etappe. ‘Ik ging lossen, maar dat publiek was zo aan het roepen. Ik ging door de muur.’ Toen al reed hij op adrenaline. Dat kan je twee bergetappes volhouden, maar geen vijf. We hebben het dragen van het geel onderschat. Elke dag werd hij anderhalf uur langer dan de rest opgehouden. Toen we eens weigerden om naar de persconferentie te gaan, werden we beboet door de ASO. Dan hebben die Fransen eens een landgenoot in het geel.”

Wielerorganisator ASO heeft het effect bij Patrick als een rode vod op een stier. “Herinner je de rit naar La Planche des Belle Filles? De hele rit staken de favorieten zich weg, omdat ze schrik hadden van dat steile grindpad op het einde. Er werd dus maar driehonderd meter gekoerst. De drang van ASO om zottigheden in haar koersen te steken is stuitend: waarom laten ze de renners niet op een ladder naar de maan rijden? Ze helpen zelfs de monumenten om zeep. Parijs-Tours is de enige echte sprintklassieker, maar er moest ook terre battue in. Terpstra reed er dit jaar drie keer lek. Wielen zakten er tot de helft in de keien. ‘Mij zien ze hier niet meer,’ zei ik twee jaar geleden al. En de rest is me aan het volgen. Hun deelnemerslijst wordt steeds schraler.”

Dat zo’n grintstroken toch spektakel garanderen, wuift Lefevere weg. “Weet je wat spektakel is? Hoe wij de Tour van 2015 beslisten door in de tweede rit naar Neeltje Jans waaiers te trekken. We hadden nog een rekening met Movistar openstaan, dus vroeg ik aan Fitte om door te trekken. Quintana verloor twee minuten: game over. Dàt is spektakel. Cols waar je met een 32×32-verzet naar boven moet rijden, horen enkel in mountainbikewedstrijden thuis. En als je op grint wil koersen, organiseer dan cyclocrossen. Men wil de heroïek van Parijs-Roubaix kopiëren, maar er is maar één Roubaix. Mijn ploeg zal niet meer starten in de Schaal Sels en Dwars door het Hageland.”

Patrick Lefevere is ook een fervent voorstander van het Extreme Weather Protocol dat koersen bij te extreme weersomstandigheden verbiedt. Ik herinner hem aan de Giro van 1956 waar renners zich in een sneeuwstorm naar de top van de Monte Bondone moesten hijsen. Renners gooiden toen na de finish hun verkleumde lijven op de motorkap van de wagens om op te warmen. Dat deze heroïsche taferelen peper en zout zijn voor het wielrennen, wil de ploegbaas niet geweten hebben. “Onze grootouders werkten nog in de koolmijnen en nu niemand meer. Dat waren andere tijden. Toen reden ze met extra chauffage, als je begrijpt wat ik bedoel. Die Fayt-le-Franc van vorig jaar, waar Gilbert bij min vier graden won, was onverantwoord. Onze renners hebben daar achteraf veel last van gehad. Dat protocol wordt trouwens slag om slinger genegeerd. Boven de veertig graden mag men niet koersen, maar vorig jaar steeg het kwik in de Tour Down Under tot 46 graden. ‘Het is maar tijdelijk, straks koelt het af,’ zei de organisatie ’t Ja… Kijk; ik wil ook niet de strandjeanet uithangen. Het is vooral het amateurisme dat me stoort. In die etappe naar Tignes, wist men bij de start al dat er modder over de weg lag. Waarom grijp je dan niet meteen in? Nu werden renners in volle inspanning op de Col d’Iseran tegen gehouden. Met een hartslag van 200 stonden ze daar te verkleumen. Een paar jaar geleden maakten we in Milaan – San Remo op de Turcino net hetzelfde mee. De ASO zit niet in met zijn renners. Mochten ze een koers kunnen organiseren zonder coureurs, doen ze het. Soit, ik kan niet tegen onrecht, misschien noemen ze me daarom wel the grumpy man.

Grumpy was hij deze zomer op columnist Thijs Zonneveld.  Die vond dat Alaphillipe een tijdstraf moest krijgen omdat hij geduwd werd op de Galibier. ‘Totaal niet waar, loser. Halve journalist, mislukte coureur,’ klonkt het op Twitter. “Ik meen dat ook. Sonneveld had een te kleine motor om renner te worden. En dan roept zo iemand zichzelf uit tot journalist, met maar één doel: de interessante uithangen op de kap van je ex-collega’s. Elke Nederlandse renner dwong hij, jaren na datum, tot dopingbekentenissen. Wat heb je daar in godsnaam aan?”

Speelt hier het aloude wielercredo: je spuwt niet in de soep waarvan je zelf gegeten hebt? “Neen, spuw gewoon wanneer het nodig is. Op het moment zelf, niet een kwarteeuw later. Je ziet dat nu ook in de filmwereld. Zowat elke Hollywood-actrice is seksueel misbruikt door een regisseur. Maar twintig jaar gelden vogelden ze zichzelf wel naar boven voor een carrière. Toen hoorde je niemand. Ik verwijt Sonneveld dezelfde hypocrisie. Hij is compleet ongeloofwaardig. Alaphilippe vroeg niet om geduwd te worden. Als ik dat had willen organiseren, had ik er wel mensen in burgeroutfit gezet. Geen idioot in een Quickstep-plunje. Ik wil dat de reglementen gerespecteerd worden: wie aan de klink hangt of in het zog van de wagens terugkeert moet naar huis. Ik vond het terecht dat de Nederlander Nils Eekhof werd gediskwalificeerd op het WK, maar niet dat ze hem nog honderd kilometer in koers hielden. De ergste koersvervalsers zijn de motors. Remco Evenepoel reed drie minuten vooruit in een etappe in de Ronde Van Duisland. Het peloton kwam geen seconde dichter. Tot Geraint Thomas zich op kop zet en hij de aandacht van de fotografen trok. Lampaert en Asgreen zagen ineens op hun kilométrique de snelheid met 5 km/h toenemen. Ze zijn ook met veel te veel. Waarom moet elke krant in godsnaam een fotograaf op de motor meesturen?”

De voorbije twee jaar was The Wolfpack outstanding. Men zocht verklaringen voor zoveel dominantie. “Ketonen, het stukje van de puzzel in het boerenjaar van Quickstep,” schreef men op de VRT-site. Een conclusie die de manager liever niet hoort. “Wat is dan de verklaring voor onze zeven voorgaande boerenjaren? Ik heb vandaag nog altijd geen medisch bewijs dat mijn renners er drie kilometer per uur rapper door rijden. Ik was heel blij dat ik in een interview met Iron-man Bart Arnouts las dat ketonen net een nefaste invloed hadden op zijn prestaties. We kopen trouwens geen ketonen aan met de ploeg. Ik weet niet welke renner ze neemt. Ik wil het zelfs niet weten.”

Ook The Godfather heeft zijn kleine kantjes. Dat hij een slechte verliezer is, hoor je nogal vaak bij journalisten. Zoals vorig jaar in de Vuelta, toen winnaar Jelle Wallays na de finish ‘Fuck you, Quickstep’ riep nadat hij wat plaagstoten had gekregen van Quickstep-ploegleider Rik Van Slycke. Lefevere reageerde giftig op Twitter: ‘Teveel cafeïne, Jelle?’ “Ik zou het opnieuw doen. Man, dat je één keer roept, tot daar aan toe. Maar drie keer? Wallays trok zelfs naar onze bus om te fulmineren. Zijn vader stuurde een sms om zich te excuseren. ‘Je mag hem dat niet kwalijk nemen, Jelle was als kind dik en werd gepest. Dat is zijn frustratie die zich uitte. Ja, jongens…’ Om eerlijk te zijn, het feit dat hij won, was omdat we het gat niet wilden toerijden. Ik gunde hem de zege maar als je aan mijn team raakt, verander ik in een pitbull. Voor mijn mensen vecht ik. En niet enkel voor de renners. Twee keer heb ik onze masseur Johan Molly gered. Die was het voorwerp van een dopingonderzoek geworden, nadat Dedecker een onderzoeksrechter had wijsgemaakt dat Molly een drugstrafikant was. Daar was natuurlijk niks van aan. Het enige ‘bewijs’ dat hij had, was dat Molly af en toe sms’te met David Windels, een veroordeelde handelaar in amfetaminen. Hij had een huiszoeking aan zijn been, waar niks gevonden werd. Maar de UCI zei toen wel dat elke renner of medewerker die in verdenking gesteld werd, moest ontslaan worden. En dat was dus bij Molly het geval. ‘No way,’ zei ik. ‘Als ik dat doe, hangt hij morgen in een boom. ’”

En zo zitten we in 2007, het annus horribilis voor Lefevere. “Nog erger dan 2000, toen ik geopereerd ben van een dodelijke tumor. “Toen vocht ik enkel voor mijn eigen leven, nu lag het lot van 55 personeelsleden in mijn handen.” Het verhaal is gekend. HLN-journalist Maarten Michielssens beschuldigde de Quick-Step-ploeg van georganiseerd dopinggebruik. Hij baseerde zich op anonieme getuigenissen die hem door politicus Jean-Marie Dedecker waren aangereikt. “De beschuldigingen waren grotesk: ik zou door een zware amfetamineverslaving in een psychiatrische kliniek hebben vertoefd, had 100.000 euro cash in mijn koffer steken, enzovoort. Uiteindelijk bleek de kroongetuige Luc Capelle te zijn. Een geïnterneerde ex-renner die na drie moordpogingen ontoerekeningsvatbaar werd verklaard. De andere getuige was wijlen Dimitri Defauw… Dimitri was een labiele jongen. Daar heeft Jean-Marie Dedecker misbruik van gemaakt. Kwaad op hem was ik niet. Ik heb Dimitri zelfs nog een plaatsje bij Top Sport Vlaanderen bezorgd. Patrick zwijgt even en kijkt me strak aan. “Mocht ik Dedecker zijn, ik zou toch eens nadenken over mijn aandeel in zijn zelfdoding. Dat hij nog op zijn begrafenis durfde verschijnen, vind ik hallucinant.”

Een verklaring waarom Jean-Marie Dedecker zo hard zijn vel wou, heeft hij nog steeds niet.Ik zou het niet weten. Voor zover ik weet heb ik nooit een lief van hem afgepakt. Het enige wat ik me herinner is dat ik ooit een sponsorvoorstel van Daikin – waar hij tussen zat – heb afgewezen. Ik denk dat zijn narcisme aan de basis ligt. Hij wou op mijn kap publiciteit maken voor zichzelf – zo gebruikt hij nu ook de N-VA. Maar hij heeft me wel door de hel doen gaan. Iedereen geloofde hem. Hij was de grote geloofwaardige politicus, ik een sjoemelende dopingzondaar. Maar ik wist dat ik recht in mijn schoenen stond: Toen ik met hem debatteerde in de Zevende Dag, durfde hij me niet aan te kijken. ‘Eens crapuul, altijd crapuul, jij kan alleen maar vechten op de grond,’ zei ik.

‘Ik ken niemand die zo goed met crisissituaties kan omgaan als Patrick Lefevere. Hij was de enige die geloofde dat het toen niet gedaan was met de ploeg,’ vertelde ploegdokter Yvan Van Mol over die gitzwarte periode. Patrick grijnst: “Yvan is een slimme mens. En hij is ook de enige die me kan kalmeren. Het geloof in rechtvaardigheid hield me toen overeind. Bij onrecht komt de grinta in mij naar boven. Dan geef ik niet af, ook al is het tegen de groten der aarde. Ik spande een rechtszaak aan tegen Christian Van Thillo en eiste twintig miljoen schadevergoeding. Ik dreigde immers al mijn sponsors te verliezen. Van Thillo zei letterlijk: ‘Ik ga nooit akkoord gaan, want dan heb ik elke dag twintig processen aan mijn been.’ Hij gaf zijn fout toe, maar het was van ‘Ich habe es nicht gewusst’; de papa van de hoofdredacteur was overleden en zijn vervanger had niet goed opgelet, ge kent dat… Uiteindelijk kwam er een schikking van 2 miljoen, waar ik geen euro van heb gekregen. Alles werd geruild voor advertentieruimte voor de ploeg. En Dedecker? Die nodigde me dit jaar uit aan zijn eretafel op het Belgisch Kampioenshap in Middelkerke. Of ik geweest ben? Dat zie je van hier. Maar het zegt wel iets over de man zijn verknipte persoonlijkheid.”

De sommelier schenkt nog eens bij. Ik pols naar de schatten in Patricks wijnkelder. “Ik heb twee Chateau d’Yquems uit mijn geboortejaar, 1955. En ook twee Sassicaia’s, de wijn die Frank Vandenbroucke op zijn huwelijk schonk. En zeggen dat hij toen hij bij ons kwam nog geen druppel alcohol dronk. Op onze feestjes van de ploeg goot hij zijn glas in de bloembak. Over Frank Vandenbroucke is alles nu wel verteld, denk ik. Misschien toch nog twee dingen Eén: Frank pleegde geen zelfmoord. Ik zag hem enkele dagen voor hij naar Senegal trok. Hij zat goed in zijn vel. Hij werd daar vermoord. Op dezelfde manier als mijn vriend Philippe Vandendorpe in Gran Canaria. Een dievegge goot iets in zijn drank waarop hij slecht reageerde en stierf. Twéé: zijn talent is altijd overschat geweest. Er is niet uitgekomen wat er in zat, maar hij zou nooit de Tour de France gewonnen hebben. Door Frank zijn we onze renners psychisch gaan testen. Ik geloofde daar in het begin niet in, maar ik heb mijn mening moeten herzien. Op een dag stonden we op het punt een wereldkampioen te tekenen. “Neem hem niet, die renner is een leugenaar, een manipulator en een luiaard,” zei Jef Brouwers. Ik heb niet naar hem geluisterd, maar achteraf had hij het bij het rechte eind. Ja, Frank… Iedereen weet dat hij mijn chouchou was. Ik herkende de rebelsheid van Frank in mezelf. Tijdens een nieuwelingenkoers kreeg ik het eens aan de stok met mijn eigen moeder. “Ze zijn weg, Patrick!” riep ze, met haar vinger wijzend naar de kopgroep. Na de finish kwam ik bij haar: ‘Als ik dat vingertje van jou nog één keer zie, moet je nooit meer naar de koers komen. Ik weet zelf wel wanneer ze wegrijden. “

“We hebben een woelige familiegeschiedenis. Mijn grootvader werd door rovers neergeschoten toen hij op weg was naar de paardenmarkt in Poperinge. En mijn vader had ook al niet veel geluk. Toen hij pas met mijn moeder getrouwd was, brandde hun huis af. Ze hadden enkel nog hun pyjama. Hij heeft heel zijn leven hard moeten werken, en stierf op zijn 54e, de dag dat mijn zoon geboren werd. Het is een mirakel dat ik coureur geworden ben, want hij haatte de koers. Mijn vader had een handel in tweedehandswagens. Veel jonge renners kwamen bij hem aankloppen omdat ze vervoer naar de koers nodig hadden. Maar eens ze centen hadden kochten ze een auto bij een ander. Dat heeft hem verbitterd, hij kon geen renner meer zien. Gelukkig had ik een tante die dol was op de koers. Ik mocht als kind mee naar wedstrijden. De geur van massage-olie, het ritselen van de tubes – ik was meteen verkocht. In mijn eerste koers bij de nieuwelingen kon ik niet mee, maar als tweedejaars-junior won ik 27 koersen per jaar. Ik heb die lijn bij de profs helaas niet kunnen doortrekken. Na drie jaar hield ik het voor bekeken. Ik besefte dat ik nooit de Tour of de Ronde Van Vlaanderen zou winnen. Ik zag me niet voor kleppers als Merckx, Godefroot, Maertens en De Vlaeminck eindigen. Niemand investeerde ook in jonge renners, dat waren andere tijden. Nochtans won ik op mijn drieëntwintigste een rit in de Vuelta en Kuurne-Brussel-Kuurne. Er zijn er die al voor minder de Kristallen Fiets hebben gekregen.”

Meteen na zijn carrière, op zijn vierentwintigste, ging Patrick in 1978 aan de slag bij Marc Zeepcentrale waar hij de job van assistent-ploegleider en boekhouder van het bedrijf combineerde. Daarna pikte Walter Godefroot hem op. De ontbolstering als ploegleider voltrok zich in 1992 toen hij het Italiaanse team GB-MG onder zijn vleugels kreeg. De rest is geschiedenis: met kampioenen als Mario Cippolini, Johan Museeuw, Paolo Bettini en Tom Boonen grossiert Lefevere al een kwarteeuw in overwinningen.

“Iedereen denkt dat ik vooral de grote klassieke overwinningen koester, maar ik genoot het meest van de verborgen parels. Eén van de mooiste momenten uit mijn carrière is de overwinning van een renner uit een andere ploeg. Ik had het nogal voor Michel Dernies. Die had lang voor mij gereden, maar niet in 1988. Toen reed hij voor Lotto, terwijl ik bij VTM zat. Tijdens de GP Frankfurt zag ik hem sukkelen met maagkrampen. Hij wou afstappen, maar ik gaf hem een motiliumpil en maande hem aan om vol te houden. Hij kwam erdoor en won de belangrijkste koers uit zijn carrière. Ook Nick Nuyens bezorgde me veel voldoening. Nick loste in de eerste koers die ik hem bij de jeugd zag rijden. Mijn zoon Dieter, die toen ook koerste, had me echter getipt: ‘Hij is nooit mee op het goede moment, maar hij kan enorm hard fietsen.’ Dat had ik onthouden, dus ik gaf hem een kans. Als enige universitair in onze jeugdploeg was hij een buitenbeentje. Herman Frison, onze jeugdcoach zei: ‘Als ze willen studeren, moeten ze maar ergens anders rijden.’ Ik was het daar niet mee eens. En zie eens naar de carrière van ‘sniper’. Je zag hem nooit omdat Tom Boonen al de aandacht zoog. Maar als hij opdook, schoot hij raak: het Volk, Parijs-Brussel, Kuurne-Brussel-Kuurne. De Volder profiteerde ook van Tom Boonen. Ja, Stijn, wat heeft die na zijn vertrek bij ons nog gepresteerd?”

De Volder, Cavendish, Terpstra en Kittel. Het lijstje van renners die na een succesrijke passage bij Quickstep wegdeemsteren dikt aan. “Vooral bij Marcel Kittel verbaasde me dit niks. In de Tour van 2017 zag ik hoe kwetsbaar die mentaal was. Hij veroverde de groene trui, maar kon duidelijk niet met de druk om. Bij elke tussensprint die Matthews won, zag je hem kleiner en kleiner worden. Ik zag nooit een renner die zo blij was dat hij gevallen was (red; Kittel gaf in de groene trui op na een valpartij). Als je dan van een gestructureerd team met een familiale sfeer naar de koude chaos van Katusha trekt, roep je het onheil op jezelf af.”

De slagader van Cipollini.

‘Patrick Lefevere zijn grootste talent is dat hij weet hoe een kampioen denkt,’ zei Johan Museeuw ooit. Patrick minimaliseert. “Ik was vooral een goede ontmijner. Bij Mapei waren er wel eens spanningen tussen de Italianen en de Vlamingen. Zo was Cipollini eens boos omdat Johan Museeuw zijn gele trui had afgenomen. Ik zweer het je, Mario wou je niet kwaad krijgen. Twee keer zag ik hoe de pompende slagader uit Cipollini’s hals dreigde te springen. Cipollini was een kolerieke gast, maar geen dommerik, met argumenten kon je hem tot rust brengen. Het probleem is dat renners vaak door hun omgeving opgenaaid worden. Er zijn al veel koningen gevallen door hun narren. Als je die liquideert, ben je al op de goede weg. In mijn veertigjarige carrière gingen mijn renners nooit met elkaar op de vuist. ”

Het is inderdaad zoeken naar akefietjes binnen de Quickstep-familie. Het BK in Wielsbeke in 2014 was zo’n moment. Voor de deur van de sponsor klopte Jens Debusschere topfavoriet Tom Boonen in de sprint. Nadat de snelle Gert Steegmans in de kopgroep door zijn eigen ploegmaats werd bijgehaald. Steegmans voelde zich geflikt en noemde ploegleider Steels een blaaskaak. Patrick haalt de schouders op. “Dat was een futiliteit. We gaan ons toch niet druk maken over een kermiskoers, zeker? Tom Steels ging twee keer naast Gert Steegmans rijden. “Ga je winnen of niet winnen, Gert?” vroeg hij. Maar die keek niet eens naar de wagen. Hij bleef gewoon maar doorrijden. Als je niet antwoordt betekent dit dat je niet zeker bent van je zaak dus beslisten we om het gat toe te rijden en alles op Boonen te zetten. Helaas ging Gianni Meersman iets te snel van de kop af en kwam Boonen te vroeg met zijn neus in de wind te zitten. Net na de finish is er veel naar elkaar geroepen, maar ik bleef daar rustig bij. Uit ervaring weet ik dat bijna elk conflict 48 uur later zichzelf oplost.”

Nieuw lid in de wolvenroedel: het godenkind Remco Evenepoel. Bezit naast uitmuntende koersbenen ook al de BV-status. Heeft een eigen kledinglijn, duikt op in Gert Late Night en zit aan het stuur van een BMW in de GP De Zoute. Moet je zo’n jonge kerel daar net niet van weg houden? Patrick zucht: “Als die jongen dat nu graag wil doen. Die kledinglijn had hij al toen hij junior was – het is een liefdadigheidsproject. Het zijn jullie, de media, die zijn vedetten-status creëren. We beschermen hem wel degelijk. Waarom denk je dat ik zijn manager heb buiten gegooid? Die kerel beheerde zijn Facebook-account, iedereen die Remco wou contacteren moest hem passeren. Op een dag kwam Remco’s moeder dolenthousiast bij me aankloppen. De manager had een deal met een horlogemerk geregeld. Als Remco zijn naam er aan linkte, kreeg hij twee horloges. En het jaar erop nog eens twee. Kan je dat nu geloven? Maar ‘de manager’ ging wel met 20% van de omzet lopen. ‘Afvoeren die mee-eters,’ heb ik meteen gezegd. Ik begrijp dat die ouders niemand pijn willen doen, maar soms moet het. Zijn trainer Fred Vandervennet heb ik ook de wacht aangezet. Die man is bijna zeventig, heeft nog nooit over wattages gehoord. ‘Weg ermee,’ zei ik. Dit klinkt hard, maar Quick-Step is geen liefdadigheidsinstelling. “

“Wat goed is komt snel,” zegt Patrick geheimzinnig wanneer ik pols naar Remco’s eerste deelname aan een grote ronde. “Hij heeft de capaciteiten. Wat hij in San Sebastian flikte, vond ik heel straf. Vooral omdat hij in het begin van die slotklim niet stilviel. Hij had net zijn voorsprong uitgediept door alles te geven, normaal parkeer je dan altijd in die eerste meters bergop. Ik plaats dit in hetzelfde rijtje als Vandenbroucke in Schoten die het peloton voorbleef en Boonen die weg demarreerde in zijn eerste Ronde Van Vlaanderen. Twee straffe stoten.”

Maar geen hoogtepunten zonder dieptepunten. Zoals de Parijs-Roubaix van waar Johan Museeuw met drie strijkijzers op pad is en op zes kilometer voor de meet lek rijdt. “Museeuw knalde zijn helm toen kapot in de bus. Helmut Lotti, onze invité, vroeg binnen de seconde of hij die helm mee naar huis mocht nemen. Je had die gezichten in de bus moeten zien,” lacht Patrick. En dan is er dat bewuste voorjaar van 2010, waar we vermoeden dat Cancellara op gemotoriseerde wijze de maat van Tom Boonen nam. “Dat moet jij maar onderzoeken, jij bent de journalist,” zegt Patrick ontwijkend. “Cancellara moest wél altijd in de Ronde van Vlaanderen gediskwalificeerd worden. Je mag niet in de kop van het peloton van fiets wisselen, je moet je laten afzakken tot bij de auto van de juryvoorzitter. En in Roubaix is hij niet met dezelfde fiets aangekomen dan degene waarmee hij startte. Dat mag nu ook niet meer… Gelukkig kon Tom – veel beter dan Johan – nederlagen relativeren. Dat had hij van zijn moeder. Ik zie veel gelijkenissen in de familiale achtergrond van Johan, Tom en Remco. Het zijn alle drie de zonen van mislukte renners. En ze hebben alle drie moeders die enorm beschermend zijn.  De vaders genieten van de euforie rond hun zoon, terwijl de moeders hen liever voor de roem behoeden. Vaders treden al eens graag op het voorplan, moeders niet. Agnes Boonen of Yvette Museeuw zag je nooit op het podium. Voor een ploegdirecteur zijn mama’s belangrijker dan de papa’s. Via hen kom je echt iets te weten over je renner. Papa’s gaan problemen van hun zoon wegsteken, mama’s niet. Ze zijn eerlijker. Als zij me opbelden, wist ik dat er écht iets scheelde.”

Zoals die keer in 2009, toen Tom Boonen voor de tweede keer positief testte op cocaïne. “Ik kon er niet mee lachen. Specialized, dat zijn marketingcampagne aan Tom had opgehangen, schrapte meteen een miljoen euro sponsoring. Ik wou dat Tom de helft daarvan betaalde. Maar Frans De Cock, de baas van Quickstep, bedekte het met de mantel der liefde. ‘Tommeke, je mag dat niet meer doen, hé,’ zei hij enkel. Hij vond dat je elkaar moest steunen in goede en kwade dagen. En eigenlijk had hij gelijk. De renner die me het meest ontgoochelde was José-Antonio Peccharomàn. We tekenden hem in 2003 nadat hij op indrukwekkende wijze de ronde van Catalonië won. Maar bij ons reed hij alleen nog maar voor de bezemwagen. We begrepen niet wat er scheelde. Uiteindelijk bekende hij aan onze verzorgers dat hij niet zonder epo kon, hij wilde bloedtransfusies. Ik wou hem ontslaan, maar hij was me voor. Zijn psychiater had hem werk-onbekwaam verklaard wegens een depressie. Ik zette door, maar het TAS stelde me in het ongelijk; ik moest hem 80.000 euro schadevergoeding betalen. Peccharomàn trok vervolgens naar een Spaanse ploeg en werd drie maanden later gepakt op epo. Alles wat ik gezegd had tegen het TAS kwam uit. Da’s alsof je een moordenaar vrijspreekt, die opnieuw gaat moorden.”

“Als iemand niet in onze groep functioneert, gaat ie er onherroepelijk uit. Franco Ballerini was zo iemand. Over de doden niks dan goed, maar Franco was niet de meest collegiale renner. Toen Museeuw in 1998 zijn derde Ronde van Vlaanderen won, ging Ballerini aan het mokken omdat hij had moeten afstoppen. Er kon geen felicitatie bij Johan af. ‘Volgende week zondag is het aan mij,’ zei hij met een gezicht tot op de grond tegen een Italiaans journalist. Hij had meteen zijn laatste Ronde bij ons gereden. Toen was ik veel harder dan nu. Jan Bakelants brak ooit zijn woord bij me toen hij twintig was. Ik heb er tien jaar niet meer mee gesproken. Maar toen hij geen ploeg meer had, heb ik hem toch een nieuwe kans gegeven. Ik vergeet nooit, maar ik vergeef wel. Jan is daar nog steeds erkentelijk voor. Dat mis ik bij Thomas De Gendt. Die viste ik op na zijn doortocht bij Vacansoleil. Zonder mij was hij nu geen Worldtour-renner meer, maar een bedankje kon er niet van af. Ach, loyaliteit in het peloton is zeldzaam. Joxean Matxin mocht twee jaar op onze kosten de wereld rondreizen om te scouten, maar ineens wou hij ploegleider bij ons worden. Ik ga niemand opofferen voor hem, dus liet ik hem gratis naar UA trekken. En wat deed mijnheer: alle jonge talenten die hij met ons geld gevonden had, nam hij mee. Jasper Philippsen en Tadej Pogacar hadden altijd bij ons moeten rijden. Soit, ik heb alweer een lesje geleerd. Je ziet, ik ben toch geen pitbull. Eigenlijk ben ik veel te braaf.”

Foto’s: Sigfrid Eggers

Met dank aan Le Chateau Mylord (mylord.be)