Op zoek naar de appelvink

Op appelvinkenslag: Een vogelaar en zijn zwart beest.

“Hoor je die tiek, tiek, tur-wie-wie?”

Ja, ik vogel graag. En ik ben niet de enige. Meer en meer mensen kijken gepassioneerd naar onze gevederde vrienden. Ze worden gek van vreugde wanneer ze voor het eerst een bosuil zien en huilen van geluk als ze de roep van de roerdomp horen. Mijn ornithologisch orgasme? De ongrijpbare appelvink.

Tekst: Jeroen Denaeghel
Foto’s: Jelle Vermeersch

 

Dinsdag, 24 mei 2016. 08.00, Ellezelles.

Drie uur zit ik al in de tuin naar het topje van mijn kerselaar te turen. Op mijn achterwerk, in het kniehoge gras. De ochtenddauw heeft net de textielvezels van mijn onderbroek verzadigd en in mijn ogen prikkelt het eerste berkenstuifmeel. Nog vijf minuten en het snot vliegt tot achter mijn oren. Deze ongemakken neem ik er graag bij, maar dan moet er wel wat in de lens van mijn Swarovski-telescoop verschijnen. En het liefst iets meer dan twee vechtende koolmezen, een zingende merel en de fazant waarmee ik het voorlopig moet stellen. Vrouwlief komt een kijkje nemen in de tuin, maar vindt me niet meteen. “Jéroen, wààr zit je?” krijst ze met een stem waarmee je arbeiders uit een schrijnwerkerij jaagt. “Hier!” roep ik vanonder mijn camouflagenet. “En door jouw gebrul zal ik vandaag wéér de appelvink niet zien!” Wanneer ze me als een soort Vietcongsoldaat in het struikgewas ziet zitten, schiet ze in de lach en grijpt ze naar haar iPhone. Twee uur later zie ik mezelf terug op haar Facebookprofiel. ‘Jeroen is zot geworden,’ staat er onder de foto te lezen.

Een maand eerder op de redactie. “Allez, toon dat beest nu eens waarnaar je al zo lang zoekt,” zegt hoofdredacteur Jonas Heyerick. Vanachter m’n schouder kijkt hij naar mijn laptop. “Meen je dat nu?” vraagt hij verbaasd, de foto van een appelvink nauwlettend op mijn scherm bestuderend. “Zo heb ik er elke dag wel een paar op de vensterbank van ons huis zitten.” Mijn hart slaat een paar tellen over. Tien jaar geleden voltrok zich een gelijkaardig scenario. Diep in de Canadese wouden, maakte ik toen met enkele bevriende journalisten een zesdaagse kanotocht. Ik had m’n metgezellen beloofd dat ik bij het zien van de inheemse rode kardinaal op champagne zou trakteren. Ook al speurde iedereen elke boom af op zoek naar iets roods, we slaagden we er niet in om een glimp van de kleurrijke vogel op te vangen. “Het is dan ook een zeer zeldzame vogel die zeer schuw is en zich wegstopt in hoge coniferen,” orakelde ik bij een pilsje op een terras aan de luchthaven van Toronto. Mijn woorden waren nog niet koud of drie kardinaalsvogels vlogen over onze hoofden en gingen op het dak van een ijscrèmekarretje zitten. Collega Alain Grootaers vond dit zo grappig dat hij er een column in de Gazet Van Antwerpen over schreef. Sindsdien noemt de helft van ‘t Stad me ‘the red cardinal’. Dezelfde afgang wordt me vandaag bespaard. ‘Grapje,’ grinnikt Jonas, terwijl hij m’n laptop dichtklapt. ‘Ik heb nog nooit zo’n vogel gezien.’

 

Woensdag 25 mei. 19u00, Ellezelles.

Opnieuw zit ik in mijn schuilhut. Deze keer met een flacon Jack Daniels en een zak borrelnootjes bij de hand. Kwestie van niet van honger en dorst om te komen als de appelvink op zich laat wachten. Het is de derde dag op rij dat ik in mijn boomgaard verdwijn en dat kan vrouwlief Celine maar moeilijk vatten. “Ga je nu weer een hele avond aan die stomme vogel spenderen?” Passies en partners, ze zijn zelden het perfect huwelijk. En al zeker met een hobby waar iedereen rond je moet stil zijn en er maar om de drie uur een seconde iets te beleven valt. Maar eens je de microbe vasthebt, wordt het een verslaving. Vijfendertig jaar geleden ben ik met dat vogelen begonnen. Eerst zat ik rustig vanachter het keukenraam naar roodborstjes in de tuin te kijken, maar al snel trok ik met een tweedehandse verrekijker – ik had hem voor honderd frank in een oude legerstock gekocht – de nabije bossen in. De dag dat ik de metaalblauwe rug van een boomklever op een eikenschors zag blinken, was ik verkocht. Opeens wou ik alle vogels ter wereld zien. Ik trok naar de slikken en schorren van het Zwin om tureluurs te spotten, verdween in de Ardense naaldbossen om kruisbekken te zoeken en zag mijn eerste lepelaar in het mooie Bourgoyen-reservaat. Toen ik wat ouder werd, stak ik de grenzen over. Naar de Spaanse Extremadura voor de vier Europese gieren, naar de Lac du Der in Frankrijk voor de kraanvogels, naar de Alpen voor de rotskruiper, enzovoort. Steeds vaker werden mijn reisbestemmingen in functie van de te spotten vogelsoorten gekozen. Vanzelfsprekend hoefden m’n vriendinnen, die zich geen bal in mijn gevederde vrienden interesseerden, dat niet te weten. Dat er altijd wel een interessant natuurreservaatje in de buurt van ons hotel lag, was puur toeval. Tot ik op een dag met Celine in een Maleisisch regenwoud verdwaalde en moest toegeven dat we enkel in dit ellendig hol zaten omdat ik gelezen had dat, naast vertrappeld worden door wilde olifanten, er ook een grote kans bestond om er neushoornvogels aan te treffen.

Dat gericht op zoek gaan naar vogels heeft trouwens een naam: twitchen. In 2012 verscheen er een film over: The Big year. Daarin namen drie mannen het tegen elkaar op om in één jaar zoveel mogelijk vogels te spotten. Ze doorkruisten als gekken de VS en ontzagen niets of niemand om hun doel te bereiken. Eentje liet zelfs z’n vrouw tijdens de bevalling stikken omdat er zich 200 km verder een sneeuwuil bevond. Het fenomeen is te vergelijken met postzegels verzamelen. Je begint met de vaak voorkomende gevallen, kruist ze aan in je catalogus en gaat op zoek naar het volgende exemplaar. Tot op een dag alleen de ‘moeilijke soorten’ overblijven. Dan wordt vogelen een soort schattenjacht. Zoals zoeken naar een scheepswrak op de oceaanbodem. Mijn Spaanse zilvervloot is al 35 jaar de appelvink. Alleen al zijn wetenschappelijke naam brengt me in vervoering: Coccothraustes coccothraustes is afgeleid van het Griekse kókkos (pit) en thrauein (verbrijzelen). Hij verwijst naar hét fysiek kenmerk van deze vinkachtige: z’n stevige bek waarmee hij tot 50 kg kracht kan zetten, voldoende om beenharde kersenpitten te kraken. Met zijn 18cm lengte – groot voor een vink – en grijze stierennek, ziet hij er wat plomp uit, sommigen beschrijven z’n uiterlijk zelfs als ‘clownesk’. Helaas is Pierot De Appelvink niet bijster happig op een leven in de spotlight. ‘Vrij schuwe vogel die steeds waakzaam is,’ lees ik in de Petersons vogelgids. En er is nog slecht nieuws: hij nestelt hoog in boomtoppen, verborgen onder het bladerdak. Gelukkig weet men welke bomen: oude eiken en fruitbomen. Dus hou ik al drie dagen de kruin van m’n kerselaar in het oog. Hoor ik daar geen zacht getik? Een hokkende tiek, tiek, tur-wie-wie, de roep van de appelvink? Zou het?

Flashback naar 12 april 2012, een hoogdag in mijn ornithologisch leven. Ik ben op pad met Geert Spanoghe, ‘de keizer’ der Vlaamse ornithologen. We zijn de auto nog maar net uitgestapt of Spanoghe begint heftig te schrijven in een notaboekje. “Zo, de gekraagde roodstaart, steenuil en heggenmus kunnen we al afvinken,’ zegt hij. “Euh, ik heb nog geen pluimpje gezien hoor,” opper ik. “Hoeft ook niet, ik heb ze gehoord,” zegt hij. De Gentenaar kent een paar duizend vogelgeluiden uit het hoofd. Zelf ben ik hierin geen hoogvlieger. De suskewiet van een vink, dat lukt me nog net, maar andere vogelgeluiden kan ik niet memoriseren, een zeldzame koekoek en merel niet te na gesproken. “Toch is het niet moeilijk” beweert Geert. “Heb je er al eens bij stilgestaan hoeveel stemgeluiden je kent? Dat zijn er duizenden! Nog voor iemand zijn naam zegt aan de telefoon, weet je meestal al wie het is. Als je Barack Obama of David Bowie op de radio hoort, hoeft de presentator die ook niet aan te kondigen. Dat is met vogels net hetzelfde, alleen moet het je wél interesseren. Anders slaan de hersenen die info niet op.” Mooi in theorie, maar niet bij mij van toepassing. Ik interesseer me rot in die beesten, maar toch kan ik hun gezang niet onthouden. Vervelend, want als je écht op zoek wil gaan naar een bepaalde vogel, helpt het als je zijn zang herkent. Ze komen immers niet op je schoot zitten. Eventjes leek de oplossing nabij. Twee Britten hadden een Shazam voor vogels ontwikkeld: Warblr. Net als de applicatie die muziekliedjes herkent, zou dat nu ook met vogelgeluiden kunnen. Kortom, je hoort ‘iets’ zingen in een boom, neemt het geluid met je smartphone op en dertig seconden later vertelt de app je welke vogel er net zong. Met plezier betaalde ik vier euro om Warblr op m’n Iphone te downloaden. Tot ik de zangpartij van een merel opnam en er op mijn schermpje ‘koolmees’ verscheen. Ornithologen beweren dat het quasi onmogelijk is om een Shazam voor vogels te creëren. De zang zou binnen elke vogelsoort te veel variëren en er zijn te veel achtergrondgeluiden. De enige manier om vogelgeluiden te herkennen is ze nog altijd zelf memoriseren. Ook hier zijn app’s voor ontwikkeld. Tjilp! is een database waar alle Europese vogelgeluiden zijn in opgeslagen. Je kan elke zang dus eindeloos na elkaar afspelen en memoriseren. Alleen heb ik een probleem: de appelvink maakt haast geen geluid. Z’n roep klikt als een balpen die drie keer op een tafel tikt en dan een klein krasje maakt, meer krijgt onze vriend niet uit zijn strot.

 

Woensdag 25 mei. 20.30 uur, Ellezelles.

De flacon Jack Daniels is bijna leeg. Het getik heb ik niet gehoord. Althans niet van de appelvink. Voor me zit een groene specht in de stam van een appelboom te pikken. Als kind vroeg ik me af of ze van dat getimmer geen hoofdpijn kregen (blijkbaar zitten hun hersenen in een soort isolerende mousse die de schokken opvangt). Normaal boren ze met hun snavel in de boomschors naar insecten, maar ik zag ooit hoe een grote bonte specht non-stop tegen het metaal van een zendmast roffelde. Heel intelligent kwam het niet over, maar blijkbaar doen ze dat wel meer. In 1995 heeft een koppel spechten vijf weken het ruimteveer Discovery aan de grond gehouden. De lovebirds hadden 71 gaten in de bekleding van de brandstoftanks gepikt. Voorheen hadden de spechten de basis van Cape Canaveral niet durven aan te vallen omdat in de buurt van het ruimteveer uilen nestelden. Maar toen die tijdens een lancering levend geroosterd werden, zagen de spechten hun kans schoon. De schade werd op 10 miljard dollar geraamd. Bij de NASA zijn ze alvast geen fan meer van Woody Woodpecker.

 

De specht die voor me zit, heeft me in de mot gekregen. Terwijl hij wegvliegt weerklinkt z’n lachende kluu-kluu-kluu-kluu… “Een groene specht lacht je uit, zo kan je z’n zang onthouden,” zei een collega-ornitholoog me ooit. Allemaal goed en wel, maar ondertussen heeft die klojo van een appelvink zich nog altijd niet laten zien. Ineens realiseer ik me dat hij wellicht niet in mijn tuin zit. Misschien vindt hij de kersen van de Elzeelse boomgaarden niet lekker, of hij heeft tout court iets tegen de provincie Henegouwen. Op de website van Natuurpunt ontdek ik dat van de 5000 waarnemingen in het voorbije jaar, er maar een dertigtal appelvinken in een straal van 5 km rond m’n huis gespot zijn. Het merendeel in het nabije Frasnes-Lez-Anvaing, waar in de decantatievijvers van de oude suikerfabriek nu een prachtig natuurreservaat ligt. Frasnes-les-bassins is één van de zeldzame plekken in België waar je nog meer dan 100 soorten vogels vindt. Vroeger vond je nog veel vogels in landbouwgebied, maar dat is voorbij. Door overbemesting neemt de biodiversiteit af. Er ontstaat één dominante vegetatie waardoor de variatie aan insecten en dus ook vogels vermindert. Door overbemesting groeien de grassen ook sneller en worden veel te vroeg gemaaid, waardoor vogels de tijd niet meer hebben om hun nesten af te werken. En dan zijn er ook de pesticiden.  Elk jaar vindt men massagraven in de nestkastjes. Een koolmees gaat voor haar jong op zoek naar rupsen, maar als die toevallig op gesproeide bloemkolen zitten, vergiftigt ze haar kroost.

 

Donderdag 26 mei, 6 uur, Frasnes-lez-Anvaing.

De zon is nog maar net op als ik voorzichtig het hangslot aan het hek van Frasnes-les-bassins openmaak. Een oorverdovend gekwaak van de kikkers begeleidt mij bij m’n intrede in dit vogelparadijs. Voor me ligt een knobbelzwaan te relaxen in het gras, niet geïnteresseerd in de gele kwikstaarten die rond z’n hoofd de vliegen vangen. Maar hét feest speelt zich in één van de vijvers af. Boven het wateroppervlak zie ik plots twee gele pluimen en een stel karmijnrode ogen verschijnen. De haren op mijn armen rechten zich: dit is een geoorde fuut, een vogel die ik nooit eerder zag. Een paar minuten later stokt mijn adem voor de tweede keer. Boven mij is een roofvogel aan het jagen. Het is een havik, dé killer onder de roofvogels. De Acccipiter gentilis is een moordmachine wiens creativiteit binnen de Cosa Nostra niet zou misstaan. Zo verdrinkt hij eerst eenden vooraleer hij ze uit het water sleurt om dan op te eten. Geen enkele vijand boezemt hem schrik in, hij gaat zelfs vogels groter dan hemzelf te lijf. Z’n menu is dan ook uitgebreid: hij verorbert met plezier gibberende konijntjes, maar ook kraaien, spechten en duiven. Zelfs roofvogels, zoals ransuilen, weet hij te verschalken. De toppredator heeft de naam bikkelhard te zijn, vandaar dat het comateus bedplassertje Ariël Sharon ook een havik werd genoemd. Veel vliegen er niet meer rond in Vlaanderen. In de jaren ’70 werden ze door duivenmelkers met hagel doorzeefd. Dat kan je nu beter laten. De VUB van Brussel berekende de ecologische waarde van een havik en kwam op 500.000 euro uit, een schadeclaim om U tegen te zeggen. Ter vergelijking: de ouders van An en Eefje kregen tijdens het proces-Dutroux een schadevergoeding van 62.000 euro toegewezen. Je kan in België beter een mens dan een vogel mollen.

Boven me wordt er vooralsnog niet gemoord. De havik krijgt een paar kauwen niet te pakken. Ze zijn zo slim om boven hem te vliegen, aangezien de havik enkel zijn prooi al duikend kan grijpen, zitten ze safe. Van de appelvink is er opnieuw geen spoor. Ik besluit een eerste hulplijn in te schakelen. Ik schrijf me in bij Rare Bird Alert Belgium, een community waar birdwatchers elkaar op de hoogte houden over vogelobservaties. Voor 20 euro per jaar stuurt men elke bijzondere waarneming naar je mailbox. ‘Grijze wouw gesignaleerd in de lijsterbesboom aan kantine in de Gentse Blaarmeersen,’ lees je dan. Men levert zelfs een googlemap-plannetje met de gps-coördinaten mee. Op dat moment kan je twee dingen doen: of je vlamt als een gek naar Gent met het risico dat dat de wouw ondertussen al op een terrasje in Noord-Frankrijk zit, of je blijft – zoals ik – in je zetel zitten om naar Hotter Then My Daughter te kijken. Dit geldt echter enkel in het geval van de grijze wouw. Voor de appelvink laat ik zelfs een smachtende Penelope Cruz in de bedstede achter. Helaas krijg ik geen meldingen van appelvinkwaarnemingen. Voor de jongens van rare bird alert is de vogel niet zeldzaam genoeg. Enkel waardeloze ornithologen als ik slagen er niet in om het beest te spotten. Rare Bird Alert is er vooral voor de échte pro’s. Kerels die desnoods naar de andere kant van Europa te rijden om die ene dwaalgast te zien. Dat zijn vogels die hier niet voorkomen maar door extreme omstandigheden in hun oorspronkelijke habitat – koude, voedseltekort – hier per uitzondering verzeilen. Ook een foute oriëntatie tijdens de trek of stom toeval kan aan de basis liggen. Zo zijn er ooit eens sneeuwuilen in Zeebrugge gesignaleerd die via een cargoschip waren meegekomen. Ze hadden tijdens een storm op de Beringzee beschutting op het schip gezocht en vonden het zo gezellig dat ze besloten er te blijven zitten. Vier jaar geleden haalde een dwaalgast zelfs de nationale televisie. Een zwartkeellijster kampeerde toen een week in een tuin te Loppem. Normaal zie je dat beestje enkel in Siberië, dus trokken de vogelfreaks in extase naar de West-Vlaamse gemeente. De eigenaar van de tuin wist niet wat hem overkwam. Plots zaten er Portugezen, Britten en Tsjechen in z’n keuken. Dergelijke kerels doen in hun leven niks anders dan naar vogels kijken. Sommigen hebben een Life List van meer dan 9000 stuks. Net als tennissers een ATP-ranking hebben, houden vogelaars immers ook een ranglijst bij. Er is een Year List, waarin elke vogelaar vanaf nieuwjaar zijn soorten noteert, en een Life List, die een hele vogelcarrière beslaat. Wie dus aan de kop van die ranking staat– te raadplegen op www.surfbirds.com – heeft in zijn leven het meeste vogels gezien. Ze hoeven dat niet te bewijzen, men gelooft ze op hun woord. Kortom, als ik doorheen m’n verrekijker een sportvliegtuigje boven zee zie, en ik beweer dat dit een Californische condor is, gaat niemand me tegenspreken. Toch wordt er met die ranglijst niet gefoefeld. “Wie de boel belazert valt snel door de mand. De rest kijkt immers mee,” aldus Spanoghe. “Unieke waarnemingen worden bijna altijd door andere birdwatchers bevestigd. Als jij nu een zwavelborsttoekan in je tuin signaleert, terwijl de rest van België de voorbije week niks speciaals heeft zien overvliegen, dan is dat verdacht. Als dat een paar keer gebeurt, is je reputatie naar de knoppen.” De World Life List wordt momenteel aangevoerd door Jon Hornbuckle, een Brit. De gepensioneerde metaalarbeider zag al 9556 vogels van de ca. 10500 soorten die onze planeet telt. Niemand deed ooit beter. De beroemdste ornitholoog is echter een vrouw. Phoebe Snetsinger was 51 toen bij haar terminale huidkanker werd vastgesteld. In plaats van in een hoekje weg te kwijnen, trok ze naar Alaska om vogels te spotten. Bij haar thuiskomst bleek ze plots genezen. Als dochter van een rijke reclamemagnaat gaf ze haar job op en ging fulltime birden. Ze reisde naar de meest afgelegen plekken ter wereld en schuwde hierbij het gevaar niet: aan een verlaten meer in Papoea-Nieuw-Guinea werd ze door vijf inboorlingen verkracht en halfdood achtergelaten. Toch keerde ze een half jaar later naar dezelfde plek terug om een paar ontbrekende paradijsvogels te zoeken. In 1999 was haar geluk op. Tijdens een vogeltrip in Madagascar dook ze met een busje een ravijn in en was op slag dood. Op het moment van haar overlijden had ze 8398 species gezien, een record waarmee ze nu nog steeds in de top 20 mee kampeert. De laatste vogel die ze zag, de uiterst zeldzame roodschouder vanga, werd hierdoor wereldberoemd.

De vele reizen die gedreven birdwatchers maken is voor fanatieke natuurliefhebbers een doorn in het oog. Hun grote verplaatsingen levert immers een aanzienlijke bijdrage aan de CO-uitstoot. Mij zal het alvast worst wezen. Ik moet mijn appelvink zien. Er rest me maar één reddingsboei meer, een andere vogelaar die me helpt zoeken.

Vrijdag 27 mei, 14 uur, Hoeilaart.

“Welkom  in het Zoniënwoud,” zegt Tom Embo, wanneer hij me op de parking van Inverde, een opleidingscentrum natuurbeheer, begroet. Tom is directeur van deze organisatie maar ook een fervent vogelaar. “Vorige week hebben we hier nog appelvinken gezien,” zegt hij. In z’n bureau grijpt hij naar een grote parlofoon. Als we hier het geluid van de appelvink in spelen, kunnen we ze lokken. Vogels zingen immers om vrouwtjes te imponeren en hun territorium af te bakenen. Ofwel gaan andere mannetjes de concurrentie aan, ofwel komt er een bronstig wijfje aan hossen.” In de twee gevallen krijgen we met een beetje geluk de vogel niet alleen te horen, maar ook te zien. Na vijf minuten Radio Suskewiet is het al prijs. Hoog boven ons horen we een appelvink reageren. ‘Daar is ze!’ roept Tom, terwijl hij door zijn verrekijker tuurt. Ik zie nog net zijn staart in het bladerdek verdwijnen. ‘Yess!’ kirt Tom en geeft me een high five. Zelf ben ik minder enthousiast. Een paar pluimen die aan 120 km/h op twintig meter hoogte voorbij zoeven, moet ik het hiermee doen? Ik sta er een beetje beteuterd bij. ‘Wat is er? Toch een geslaagde waarneming?’ zegt Tom. Typisch vogelaars: ze zien één seconde één tiende van een vogel, horen hem wat piepen, en het katje is in het bakje. Ik hoop op een tweede kans, maar die komt er niet. Tijdens de terugweg besluit ik hetzelfde systeem ook in mijn buurt eens toe te passen. Ik trek meteen met een gettoblaster het Bois d’Hubermont van Ellezelles in. Ik schakel m’n Iphone erop aan en al gauw buldert het appelvinklied doorheen het bos. De lokprocedure heeft succes: voor me staat een Duitse herdershond klaar om me op te eten. Vogels kijken is niet zonder gevaren. Vraag dat maar aan de Vlaamse topornitholoog, Peter Boesman. Twintig jaar geleden verloor hij een been toen hij in de jungle van Peru vogelgeluiden opnam. Hij werd toen door een bosmeester, zowat de gevaarlijkste slang van Amerika, gebeten. Als deze adder je bijt, ben je binnen een paar uur dood. Om Peter te redden, hebben ze zijn been moeten afzetten. Mijn redding komt van een niet onaardige jogster die voorbij huppelt. “Viens, Juju!” roept ze naar de hond. Het beest kijkt nog één keer gulzig naar m’n strottenhoofd, maar besluit dan toch maar zijn baasje te volgen. Een extra dosis adrenaline rijker stap ik dieper het bos in. Aan een paar oude, hoge, eiken, draai ik nog één keer de volumeknop van m’n gettoblaster open. Het vogelconcerto in het bos wordt overstemd door het minimalistisch gezang van de appelvink. Tiek, tiek, tur-wie-wie. Gefocust kijk ik naar de boomtoppen boven me. Een stijve nek dreigt, m’n ogen wateren, maar de appelvink geeft geen kick. De enige activiteit is afkomstig van een zwerm muggen die mijn huid mismeesteren en dondervliegjes die mijn neusgaten invliegen. Haat maakt zich over me meester. Kan je nu niet één keer je smoel laten zien, stuk onbenul? Net nu ik eens een artikel over vogels mag schrijven, weiger jij mee te werken. Mijn deadline is morgen, appelvink. Kom tevoorschijn! Zes uur later zit ik nog steeds op dezelfde plaats. De batterijen van de gettoblaster zijn leeg, mijn rug is gebroken en op mijn armen tekent het patroon van de bolletjestrui zich af. Er heeft ook een houtduif op mijn rug gescheten. Ik kijk nog één keer naar boven. Tevergeefs. In de verte lacht een groene specht me uit. Rood aangelopen en met gebalde vuisten, stap ik met een stevige tred het bos uit. Rotsvast overtuigd dat er ooit een appelvink in mijn stoverij zal eindigen.