Monsieur Propre: Christophe Bassons
Helden dragen de gele trui en knallen het uurrecord overhoop. Op Alpe d’Huez gaan ze er in bocht zeven vandoor. Ze hebben het schuim op hun lippen in Meerbeke en drinken champagne op de Champs Elysées. Blozende meisjes ontvangen hun kneepjes in de kont. Christophe Bassons heeft dat nooit mogen meemaken. Niet omdat hij het talent niet had. Hij wilde geen naald in zijn arm.

18 juli 1998. Een huilende Richard Virenque verlaat voor de ogen van tientallen journalisten de Tour de France. Tien dagen eerder is soigneur Willy Voet van Virenques Festina-ploeg met een koffer vol doping aan de Frans-Belgische grens opgepakt. Hij wordt door de flikken op de rooster gelegd, maar geeft geen krimp. Uiteindelijk zal ploegleider Bruno Roussel een week later het georganiseerd dopinggebruik binnen de Festina toegeven. Het sterkste wielerteam ter wereld met kleppers als Virenque, Zülle, Moreau, Dufoux en Brochard moet zijn biezen pakken. Sportminnend Frankrijk is in shock: net nu ze eindelijk nog eens een kanshebber op de gele trui hebben, gooit een ijverige onderzoekrechter, Patrick Keill, roet in het eten. Voor één man is de verbanning van Virenque een verlossing: Christophe Bassons. De jonge renner uit de Tarn is in 1995 als grote Franse belofte bij Festina binnengehaald. Samen met Patrice Halgand en Laurent Lefèvre is hij de enige van het twintigkoppige team die niet aan de epo zit. Oog in oog met onderzoeksrechter Keil, laat Willy Voet er geen twijfel over bestaan: “Bassons? Een heilige! Zelfs een baxter om te recupereren wou hij niet.” Christophe Bassons is een buitenbeentje. Hij wil maar één ding: zonder medische hulpmiddelen, puur natuur, koersen winnen. Snel ontdekt hij echter dat je nog makkelijker de lottojackpot binnenrijft. Na 4 jaar vechten tegen de windmolens hangt hij zijn fiets aan de haak. Op dat moment weet hij echter nog niet dat zijn moment de gloire in de wielersport nog moet komen…

Meer zweet, minder tranen.

Ik ontmoet Christophe Bassons in hartje Parijs, voor de deur van zijn werkgever. In een statig herenhuis aan de Boulevard Saint Germain is immers het Agence Française de Lutte contre le Dopage gevestigd, het Franse agentschap voor dopingbestrijding. Dat het AFLD Bassons graag in de rangen wilde, is geen verrassing. Je vindt niet elke dag een lone wolf die door een roedel epoverslinders wordt verstoten. En al zeker niet een met een diploma van burgerlijk ingenieur op zak.  Dat de intellectuele Bassons het alfamannetje Richard Virenque zou afvallen, stond in de sterren geschreven. “Toen ik in 1996 mijn handtekening onder een driejarig contract bij Festina zette, maakte ik meteen duidelijk dat ik anders was”, zegt Bassons, tijdens een wandeling langs de oevers van de Seine. “Ik vertelde aan de ploegleiding dat ik wist dat er doping in het wielrennen circuleerde, maar dat ik er onder géén beding wou nemen. Bruno Roussel stelde me gerust en verzekerde me dat ze jonge profs de eerste twee jaar van het spul weghielden. Al voegde hij er wel fijntjes aan toe: ‘Besef wel dat er een andere optie is. Mocht je van gedacht veranderen, we hebben twee dokters die je kunnen helpen. Ik wil niet dat renners in een hoekje gaan experimenteren.’ Toen ik hem vertelde dat ik nooit die weg zou opgaan, speelde er een kleine glimlach rond zijn lippen. Hij kon zijn cynisme amper wegstoppen.’ Bassons werd meteen met zijn neus op de feiten gedrukt. Tijdens een eerste trainingskamp in de Alpen reed hij Virenque nog uit het wiel, maar amper een paar maanden later, tijdens de Dauphiné, kon hij het tempo van het peloton nog amper volgen. “Ik wist niet wat ik zag. Op de steilste hellingen deden ze niet eens hun mond open om te ademen. Huilend op mijn fiets zat ik me af te vragen wat ik fout deed. ‘Ik train te weinig,’ dacht ik, dus verhoogde ik mijn trainingsintensiteit. Ik peigerde me als een gek af op de heuvelachtige wegen van de Tarn. Als ik meer zweette uit mijn poriën, zou ik tenminste minder tranen laten. Want dat stoorde me nog het meest: niet alleen huilden de anderen niet, ze leken ook niet te zweten. Hun kleren bleven kurkdroog, terwijl je mijn shirt na elke rit kon uitwringen.”

Al snel ontdekte Bassons waar de klepel hing. Op 14 maart 1997, tijdens een rit in de Tirreno-Adriatico, installeerde ploegdokter Eric Ryckaert een kleine wasmachine op de bus: een centrifuge om het hematocrietgehalte in het bloed te meten. Wie lager dan 50 testte – het wettelijk toegestane maximum – zou later door Ryckaert à point worden gezet. Nadat Bassons een verdienstelijke Parijs-Roubaix had gereden, stapte Ryckaert op hem af. Hij zei: ”De resultaten zijn binnen. Je hebt een natuurlijk hematocriet van 40. Met 50 win je deze klassieker en kan je tien keer meer verdienen dan nu.” Ryckaert wist dat Bassons een natuurtalent was. Hij had dezelfde V02max als Lance Armstrong: 85. Alleen trapte de Amerikaan 500 watt, 100 watt meer dan Bassons. Epo kon daar verandering in brengen, maar Bassons dacht er niet aan.

En toch speelde hij een belangrijke rol in het epogebruik van de ploeg. “Toen de UCI begon met bloedcontroles en ’s ochtends onverwacht rennershotels binnenviel, lichtte Roussel me altijd als eerste uit bed. Hij wist dat ik clean was, dus hoefde hij geen positieve tests te vrezen. Zo hield ik de controleurs bezig en kon de rest ondertussen aan een baxter met een glucoseoplossing gaan liggen. Dat verdunt het bloed, waardoor hun hematocriet onder de 50 zakte. Door mij wonnen ze tijd. Het was één van de zeldzame keren dat ik me nuttig voelde voor mijn werkgever.”

Abdou, de berggeit.

Halfweg de jaren ’90 beleefde het dopinggebruik in het peloton hoogdagen. Naast epo deed ook clenbuterol zijn intrede. “Ineens won Abdoujaparov, een sprinter nota bene, een Tourrit in het middelgebergte,” vertelt Bassons. “Voor mij het ultieme bewijs dat doping alle verhoudingen op zijn kop zet. Dopig laat toe dat rouleurs plots klassementsrijders worden en klimmers tijdritten winnen. Zonder die rommel is dat genetisch niet mogelijk. Al is dit niet mijn grootste ergernis. Doping zorgt er ook voor dat zuivere renners hun gezondheid om zeep helpen. Die moeten immers dieper in hun reserves tasten om met de gedopeerden mee te kunnen. En dat laat zijn sporen na. Gilles Delion was een groot Frans talent in het begin van de jaren ’90. Hij had net genoeg tijd om een Tourrit en de Ronde Van Lombardije te winnen. Daarna kwam epo, gingen de hematocrietniveau’s de hoogte in, en werd hij een figurant. Het supertalent Delion – dat weigerde epo te gebruiken – kreeg het steeds moeilijker om de rest te volgen. Zijn inspanningen om dat toch te kunnen, bleven niet zonder gevolg: hij kreeg bloedarmoede en werd uiteindelijk definitief uitgeschakeld wegens klierkoorts. Toen hij de situatie aanklaagde werd hij uitgespuwd door het volledige peloton. Hij eindigde als een verbitterd man. Noem me dus alsjeblieft geen pionier in het doorbreken van de omerta, die eer komt Delion toe.”

Ook Bassons kreeg problemen met zijn gezondheid. In augustus 1997, tijdens de Tour de Limousin, schommelde zijn hematocriet rond 36,5. Hij bevond zich op de rand van anemie. Omdat hij geen recuperatiemiddelen nam, raakte hij ook gehydrateerd. Ryckaert kon het niet meer aanzien. “Verdomme Christophe, rondrijden met een hematocriet van 36 is gevaarlijker dan met een van 50. Je moet iets doen om je niveau terug op peil te brengen.” Ook zijn coach Michael Gros moeide zich. “Neem toch een baxter met glucose om te herstellen,” smeekte die. Aanvankelijk weigerde Bassons, maar een maand later plooide hij toch. De soigneur miste echter zijn ader en spoot het goedje onderhuids in. Bassons schreeuwde het uit van de pijn en zwoer nooit nog een naald aan te raken. Zijn toewijding om een ‘propere’ renner te zijn, ging ver. In de Vuelta weigerde hij in het zog van de wagens terug te keren naar de grupetto, terwijl de anderen gelosten dat wél deden. Wie zijn biografie Positif leest, krijgt het op de heupen van zoveel fairplay. “Waarom jezelf zoveel pijnigen?” vraag ik hem. “Mineralen oraal innemen of via een baxter, wat is het verschil?” Bassons grijnst: “Ik weigerde ook pillen. Als ik een ijzertekort had, at ik bloedworsten; en sinaasappels, omdat vitamine C het ijzer in bloed fixeert. Het moest op een natuurlijke manier verlopen, anders voelde ik me ongelukkig. Het ligt aan mijn karakter, denk ik. Je suis apart. Niet enkel omdat ik geen doping nam. Ik paste ook op andere vlakken niet in het wielermilieu. Ik bedroog mijn vrouw niet en droeg zelf mijn valies. Principes die de rest niet kende.”

We zitten in een typische Franse brasserie, zo eentje met rood-wit geblokte tafellakens op veel te kleine tafels. Bassons bestelt tot mijn verbazing een glas rode wijn. Ik had verwacht dat hij een flesje isotoop bronwater uit zijn binnenzak zou halen. Hij is een purist pur sang en dat blijkt ook uit hoe hij doping definieert. “Voor mij is doping alle exogene (buiten het lichaam ontstane; red) hulp die leidt tot een sterkere ontwikkeling van je fysieke eigenschappen. Dus ook een doosje vitaminen. In een zuurstoftent liggen om je hematocriet te verhogen is geen doping omdat je lichaam op een natuurlijke manier meer rode bloedlichaampjes aanmaakt. Maar als ik datzelfde verrijkt bloed aftap en het me voor de koers opnieuw toedien, is het exogeen en dus wel doping.”

Bassons nipt even van zijn glas wijn. Hij is klaar voor zijn eerste moraliteitsles. “Doping ontneemt je de fysieke sensatie van het fietsen. Dat hart in je lijf voelen pompen terwijl het zweet van je hoofd druppelt. Doping veegt dit weg. Wat je in de plaats ervaart is fake. Ik wou geen robot zijn die op pijnstillers de Galibier opvlamt en niks voelt. Geef mij maar het afzien. Zelfs als ze in de Tour mobylettes toelieten, zou ik toch nog op een traditionele fiets rijden. Na mijn carrière besefte ik pas dat wielrennen bij mij niet draaide rond het winnen. De beste zijn interesseerde me niet. Ik had enkel tegenstanders nodig om mijn fysieke grenzen af te tasten.” Dat hij zich een hoop ellende had kunnen besparen door gewoon te gaan fitnessen, lacht Bassons weg: “Nee, je gaat nooit zo diep als wanneer je iemand die voor je uitrijdt wil inhalen.”

Bassons reed zuiverder dan het helderste bergriviertje en dat vonden zijn Festina-collega’s maar niks. Dopinggebruik was inherent aan de job van wielrenner, vonden zij. Er bestond zelfs een specifieke uitdrukking voor: faire le métier. “Op een dag riep mijn ploeggenoot Pascal Hervé me op het matje”, vertelt Bassons. “Hij verweet me dat ik geen recuperatiemiddelen wilde nemen. ‘Je zit in een team’, zei hij. ‘We doen wat we moeten doen om te winnen.’ On fait le métier. Het zou fijn zijn als je ook iets aan de prijzenpot bijdraagt.’ Op het einde van het jaar werden alle premies verdeeld onder de renners, mecaniciens en verzorgers. Ik merkte dat er 600.00 francs (ongeveer 90.000 €; red) ontbrak. Bleek dat ze de ‘farmaceutische bijstand’ betaalden met geld uit de prijzenpot. De boekhouding van het dopinggebruik werd zo schaamteloos op tafel gegooid. Toen ik Virenque en de anderen liet weten niet in te zien waarom ik moest meebetalen voor producten die ik niet nam, werd het ijzig stil in de kamer. Dát was het moment dat ze me begonnen te wantrouwen.”

Zuurstofkuren in de Alpen.

Nadat hij twee seizoenen geen platte prijs had gereden en onder druk kwam van de collega’s, ging hij die winter nog harder trainen. Hij wist dat er in het voorjaar kansen voor het grijpen lagen. De epogebruikers zaten in februari nog in de opbouwfase en dus kon hij eventjes met gelijke middelen strijden. Dat voordeel moest je na een paar maanden onherroepelijk inleveren, zo bleek uit de lactaattesten – een indicatie voor de conditie – die Festina uitvoerde. “In december lag ik in tweede positie, eind januari in zevende, en eind april vér achter alle anderen”, zegt Bassons met een grijns. “De ploegleiding geloofde niet meer in me. Ze lieten me alleen aan tweederangskoersen deelnemen en ik werd niet geselecteerd voor de Tour. Dat was ook logisch: Virenque wilde kost wat kost de Tour winnen en duldde enkel epoboys aan zijn zijde. Ploegleider Roussel was duidelijk. ‘Ik wil weten of je de komende maanden van plan bent om epo te nemen. Daar hangt je nieuw contract van af,’ zei hij tegen mij.”

In de zomer van 1998 speelde Bassons zijn laatste troef uit. Hij vertelde Roussel dat hij in een zuurstofkamer wilde duiken om zijn hematocrietgehalte te verhogen. Roussel was laaiend enthousiast en gaf hem een nieuw contract met een salarisverdubbeling. “Op 11 juli, tijdens de Tour, trok ik naar een kuuroord in de Alpen, Brides-les-Bains. 18 nachten sliep ik in een zuurstoftent. Ik augustus bleek dat de therapie had gewerkt, mijn hematocriet was van 40 naar 43,5 gestegen. Alleen speelde ik die winst al na twee weken kwijt. Tegen epogebruikers, die constant hematocriet bijtanken, zou ik het altijd moeten afleggen.”

Tijdens zijn kuur in Brides-les-Bains zag Bassons de Festina-bom ontploffen. Op de tv van zijn hotelkamer zag hij hoe zijn ploegmaats uit de Tour werden gezet. Het losbreken van dat schandaal was voor Bassons een verlossing. De geest was uit de fles, na de bekentenissen van Roussel en vijf Festina-renners besefte iedereen dat doping het wielrennen in zijn greep had. Bassons verliet de schandaalploeg en tekende bij La Française des Jeux, maar zijn illusie van een nieuwe, propere, wielersport werd in april ’99 al aan flarden geschoten. Ondanks schitterende conditietesten slaagde hij er amper in het peloton bij te houden. Dat slingerde zich met een duizelingwekkende snelheid door de voorjaarsklassiekers. Een klein incident tijdens Parijs-Roubaix bevestigde zijn vermoedens. “Een renner viel voor me op de kasseien. Uit zijn achterzakje glipte een flesje, een cafeïnestimulant. Er was niks veranderd. Iedereen nam nog steeds doping, alleen hadden ze meer schrik om gepakt te worden.”

Get the hell out!

Toch veranderde er wel degelijk iets voor Bassons. De pers riep hem uit tot Monsieur Propre en hij kreeg een column in de krant Le Parisien om zijn ervaringen in de Tour neer te pennen. Zijn eerste column bleef meteen aan de ribben kleven. Zonder namen te noemen beweerde hij dat dopinggebruik nog steeds niet uit het peloton verdwenen was. Dat namen zijn collega’s hem niet in dank af. Aanvankelijk bleef het bij scheve blikken, maar na een tijdje werd de sfeer vijandiger. “Stop jouw bullshit, het is zinloos. Je beschadigt ons allemaal”, snauwde Pascal Chanteur hem in de derde rit toe. Op 14 juli 1999 kwam het tot een climax. In de rit van Sestrière naar Alpe d’Huez demarreerde Bassons op de eerste col. Hij leek weg te geraken, tot een renner in een gele trui hem achterna spurtte. Lance Armstrong.    

“Ik herinner me het moment nog glashelder. Hij staarde me recht in de ogen en ik grijnsde terug. ‘Waar ben je mee bezig?’ vroeg The Boss.

‘Ik val aan, ik maak koers’, antwoordde ik.

Hij keek even van me weg en wees dan met zijn vinger naar me. ‘Wat je aan de journalisten vertelt, is slecht voor de wielersport’, zei hij.

‘Ik vertel alleen wat ik denk. En ik denk dat er doping is.’

‘Als je hier bent om dat te doen, is het beter dat je naar huis keert en een andere job zoekt.’

‘Ik vertrek niet zolang er niets veranderd is. En als ik iets te zeggen heb, dan zeg ik het.’

Hij sloot het gesprek af met: ‘Then get the hell out!’ en een wegwerpgebaar.

Ik haalde gewoon mijn schouders op. Case closed, dacht ik, tot mijn kamergenoot Stephane Heulot naast me kwam rijden. ‘Jouw gedrag hoort niet’, zei hij. Het was een slag in mijn gezicht. Een dag eerder wou Heulot nog zijn koffers pakken omdat hij gefrustreerd was over de suprematie van de Amerikaan.” In het rennershotel pakte zijn ploegleider Marc Madiot hem ook nog eens aan. “Stop met praten over doping tegen journalisten. Het levert ons alleen maar vijanden op. Door jou laat niemand ons wegrijden in een ontsnapping,” zei hij. Tijdens het avondmaal weigerden zijn ploegmaats nog naast hem te gaan zitten. Mentaal gebroken verliet Bassons die nacht de Ronde van Frankrijk. Jean-Marie Leblanc gaf hem de laatste dolksteek: de Tourbaas deed zijn opgave af als een ‘marketingstunt’.

Bassons vond in 2000 onderdak bij Jean Delatour, een nieuwe Franse ploeg. Hij dacht met een propere lei te kunnen herbeginnen, maar dat was ijdele hoop. Zijn collega’s zagen hem als een paria. Laurent Brochard, zijn nieuwe kopman én ex-collega van bij Festina, weigerde zelfs drinkbussen van hem aan te nemen. “Hij stond nog steeds onder invloed van Virenque. Met mij samen gezien worden was een schande. Ik was de lepraleider van het peloton”, vertelt Bassons. Zijn positie in het wielerpeloton werd onhoudbaar. Tijdens de Vierdaagse van Duinkerke reden enkele Franse renners – waaronder Didier Rous – hem letterlijk in de gracht. De finale doodsteek. Moegetergd hing hij zijn fiets aan de wilgen. Zijn strijd tegen doping was tevergeefs geweest. “Correctie,” zegt Bassons strijdvaardig. “Ik voerde geen strijd tegen doping, maar tegen de hypocrisie. Mij kon het niet schelen dat mijn collega’s zich dopeerden. Drie jaar lang heb ik dat kunnen verdragen. Nooit heb ik er hen op aangesproken. Ik riep ook niet dat ik clean was, dat hebben mijn collega’s in mijn plaats gedaan. Ik heb vooral een probleem met de omerta in het wielermilieu. Waarom geeft nog steeds geen enkele renner toe dat ze in de Tour elke avond aan de baxter hangen? Omdat ze nog steeds een idool willen zijn. Ze willen door het leven gaan als de supermannen die de Tour zonder hulpmiddelen aankunnen. Ook ex-renners blijven die illusie koesteren. Ze blijven hun verleden negeren. Ondanks alle bewijzen bleef Laurent Jalabert voor de rogatoire onderzoekscommissie verklaren dat hij nooit epo heeft genomen. Dat was een ‘foutje’ van zijn dokter. En die gast is nu wielercommentator. Bjarn Riis, Didier Rous en Vinokourov werden zelfs sportdirecteur. Ik weet niet of ik daar moet bij lachen of wenen. Maar toch vooral het laatste, vrees ik. Want die kerels krijgen onze jeugd in handen.”

Ik vraag hem naar een opheldering bij zijn biografie. Welke dokter schreef hem in 1993 het verboden Kenacort voor – daarbij het wielercliché ‘pas pris, pas dopé’ debiterend – en is nu verantwoordelijk voor de urinetesten in de Tour de France. “Hij zit ondertussen bij Europcar”, grinnikt Bassons. “Meer zeg ik niet. Het is niet de bedoeling om mensen aan de schandpaal te nagelen. Alle dopinggevallen die ik vermeld zijn bekend. Ik geef er alleen wat extra informatie over, zoals bij de legendarische positieve plas van Floyd Landis. Normaal zouden ze hem nooit gepakt hebben, maar hij maakte een kolossale fout door alcohol te drinken. Men controleert enkel op lichaamsvreemd testosteron als de verhouding testosteron/epitestosteron in de urine hoger is dan 4. Landis gebruikte testosteronpatches die ervoor zorgden dat die verhouding constant rond 3,9 schommelde. Maar door alcohol te drinken – hij kapte de avond na zijn inzinking een whisky achterover – maakte zijn lichaam extra testosteron aan. Plots zat hij aan 4,1. Een extra controle volgde en hij had het vlaggen.

De wodka’s van Lance

De talloze dopingbekentenissen van de laatste jaren bevestigden het gelijk van Bassons. En Monsieur Propre begon alsnog respect te oogsten. Sommige dopingzondaars kwamen zich zelfs bij hem verontschuldigen. Een van hen was Lance Armstrong. Ze ontmoetten elkaar in Parijs voor het diner. “Hij stapte moederziel alleen uit een taxi”, vertelt Bassons. “Ik zag meteen dat hij niet goed in zijn vel zat. Hij was slecht gekleed en sloeg in het restaurant onmiddellijk twee wodka’s achterover. Zijn lichaamstaal verraadde veel. Hij sloeg vaak zijn ogen neer, dat had ik hem als renner nooit zien doen. Het viel me ook op dat hij het gesprek onderging; ik stelde de vragen, hij antwoordde. Eén moment blijft me bij, toen hij uit zijn portefeuille een foto van zijn gezin haalde. ‘Ik ben gelukkig, maar heb geen projecten,’ zei hij. Het leek wat fatalistisch, alsof hij geen toekomst meer had. Hij zei me ook dat hij geen spijt had van zijn dopinggebruik, hij zou het zelfs terug opnieuw doen. Het enige wat hij betreurde was dat hij naast de fiets even boosaardig was geweest als erop. Veel praten deed hij voor de rest niet, hij had vooral veel zin om te drinken. Hij is zo zat als een Zwitser naar zijn hotel getrokken. Ook al heeft hij me gekwetst, ik kan niet kwaad op hem zijn. Hij heeft tenminste open kaart gespeeld.”

Het lijkt een typische karaktertrek van Bassons. Ook al leefde hij vier jaar in een hel, toch kan hij met de meeste renners nog door één deur. “Enkel zij die me persoonlijk wilden raken, heb ik niet vergeven. Zoals Didier Rous die in een bomvol restaurant ‘bastaard’ naar me schreeuwde. En Virenque die ook mijn naasten aanpakte. Mijn vrouw is maar 1 meter 49 en hij vond het nodig om met haar gestalte te lachen. Dan ben je een kleine mens. Eén ding begrijp ik nog steeds niet: Virenque is geen haar beter dan Armstrong en toch wordt hij in Frankrijk door iedereen bejubeld. Hij mag zelfs wielercommentaar geven. Maar Armstrong willen ze allemaal aan een koord zien bengelen. Zodat hij de weg kan opgaan als Pantani, Vandenbroucke en Gaumont. Die renners zijn door de strijd tegen doping gestorven. Ze werden gesanctioneerd, uitgesloten en geraakten op de dool. Ze zijn slachtoffers van een verrot wielermilieu. Ik hoop echt dat Armstrong zo niet eindigt, want dat scenario is reëel. De kans bestaat dat hij morgen niks meer heeft. Ze eisen 100 miljoen euro van hem, terwijl hij er maar 85 heeft. 30 miljoen zal hoogstwaarschijnlijk naar Floyd Landis gaan, één van de grootste bedriegers in de wielersport.”

Onze lunch zit er bijna op. Bassons bestelt naar Franse gewoonte nog een mokka. Binnen enkele minuten moet hij terug aan het werk, aan de slag om een dopingvrije wielerwereld te creëren. En volgens Bassons hebben we er nog nooit zo goed voorgestaan. “De wielersport is waarschijnlijk zuiverder dan ooit. De wattages zijn lager dan 10 jaar geleden. Armstrong vloog met 480 watt en col op, nu is dat nog maximaal 420. Maar de mentaliteit is niet veranderd. Als er morgen een onopspoorbare variant van epo opduikt, zitten ze er allemààl aan. In mijn hoofd is iedereen gedopeerd. Alle ploegen hebben doorgedreven medische assistentie en flirten met de dunne lijn tussen doping en medicatie. Maar ze strijden wel min of meer met gelijke middelen. Niemand rijdt nog met een hematocriet van 60 rond. Er zijn niet minder gedopeerden, alleen wordt er minder doping genomen. Wie nu het verschil wil maken, moet al naar genetische doping grijpen. En daar durft niet iedereen zich aan te wagen. Pas op, ik zit nog met vragen. Ik geloof bijvoorbeeld niet dat Armstrong enkel epo nam. Wat hij bekende, gebruikte de concurrentie ook. Maar het verschil met hen was te groot. Een elektrisch motortje? Het zou kunnen. Ik zie nog altijd absurde zaken. De laatste grote mop was Froome op de Ventoux in de Tour van 2014. Herinner je het moment toen hij aanviel voor Chalet Renard? Contador zat in zijn wiel, maar werd gewoon weggeblazen. Zonder uit zijn zadel te komen nam Froome onmiddellijk dertig seconden. En die kerel is graatmager, heeft geen spieren. Hoe kan je dan die waanzinnige wattages blijven trappen (nvdr; op het moment van het interview was er nog geen spraken van ketonen in de wielersport)?”

Bassons roert in zijn koffie en haalt de schouders op. “Ach, zolang niet iedereen gelukkig is, zal doping blijven bestaan. Alle ellende in onze maatschappij heeft maar met één ding te maken: beter willen zijn dan een ander. De bedoeling van sport zou moeten zijn om je fysieke grenzen te verleggen, niet om een ander te verslaan. We geven te veel aandacht aan de winnaars. Kijk een naar een kind van 8 dat voetbalt. Dat houdt van dribbelen, naar de goal trappen en een balletje hoog houden. Maar stuur hem nar een voetbalclub en na een week telt enkel nog winnen.” Als ik Bassons een filosoof noem, lacht hij dit beleefd weg. “Ik denk gewoon graan na over zulke zaken.” Net voor ons afscheid komt hij aanzetten met een vreemde openbaring. “Ik ga je een primeur vertellen die niet in mijn boek staat, omdat ik er zelf nog maar achter gekomen ben. Ik denk dat mijn aversie tegen doping met faalangst te maken had. Na elke koers zei ik tegen mezelf: ‘Jij hebt gewonnen, want de rest pakt.’ Eigenlijk vond ik dat best een comfortabele positie. Doping zou de druk hebben doen toenemen. Dan zou ik met mijn capaciteiten verplicht geweest zijn om te winnen. En ik weet niet of ik dat mentaal aankon.”

Hij ziet me verbaasd opkijken en zijn jongensachtige grijns speelt opnieuw rond zijn lippen. “Ik weet het,” mompelt hij, “je suis apart.”