Hoezo, de Tasmaanse tijger is uitgestorven? Wat heb ik dan gisteren in de bush gezien?

Officieel is de thylacine, beter bekend als de Tasmaanse tijger al 80 jaar uitgestorven. Maar sindsdien hebben spotters nog meer dan 300 keer het beest gesignaleerd. De recentste waarnemingen komen uit Cape York, het noordelijkste schiereiland van Australië. De James Cook University plant een expeditie in de regio met cameravallen. Zeven jaar geleden zocht ik zelf naar het beest.

Op 5 februari 2005 parkeerden de Duitse toeristen Birgit Janssen en Klaus Emmerichs hun auto langs een verlaten weg in Tasmanië. Klaus daalde de berm af om in een kreek water te halen toen hij een doordringende geur waarnam. Boven hem stond een dier dat hij nog nooit gezien had: een grote bruine hond met kaken als wolfsklemmen en vreemde strepen op zijn rug. Het beest bleef hem dertig seconden aanstaren, net genoeg om twee foto’s te nemen. Toen het dier terug in de bush verdween, wist de man niet dat hij zonet oog in oog had gestaan met de Thylacinus Cynecephalus, alias de Tasmaanse tijger, het grootste buidelroofdier van de moderne geschiedenis. De dag erna bestelde Emmerichs in de pub een lokaal Cascadebiertje. Bij het zien van het flesetiket rolden de ogen uit zijn kassen. De afbeelding van de thylacine op het etiket leek als twee druppels water op het beest van zijn foto’s. Toen de barman hem vertelde dat het dier al zeventig jaar is uitgestorven was, viel Emmerichs net niet van zijn barkruk. Birgit en Klaus namen onmiddellijk de ferry naar Melbourne. Ze roken centen en liepen de krantenredacties af.  The Age bood hen 2500 dollar, op voorwaarde dat twee experts eerst de beelden mochten controleren. Die twijfelden geen seconde: het beest op de foto’s was een thylacine. Alleen beweerden ze dat Emmerichs een bestaande zwart-wit foto met Photoshop had vervalst. ‘Case closed’ dacht iedereen, tot er een jaar later een opmerkelijk artikel in de Tasmanian Times verscheen. De gerenommeerde thylacine-expert Col Bailey had het koppel opgezocht en ontdekt dat de foto’s op het intern geheugen van Emmerichs camera stonden. Ze konden dus onmogelijk vervalst zijn. Na Emmerichs uren ondervraagd te hebben, was hij er rotsvast van overtuigd dat de man een thylacine had gezien. De exacte locatie wilden ze niet prijsgeven, maar het was in het Cradle Mountain Park. Ze kwamen net terug van de Overland Track, een zesdaagse wandeltocht die als één van de mooiste ter wereld beschouwd wordt. ”Mijn vriendin Celine tikt op mijn arm. “Waar wacht je nog op?” Ik verslik me in mijn wijn. “Heb jij zin om 82 kilometer lang een rugzak van twintig kilogram over de bergen te sleuren? Als we van het hotel naar de bushalte stappen zijn we al moe.” Ze kijkt me streng aan. “Heb je iets voor je beest over, of hoe zit het?” Een uur later zijn onze  bustickets naar Cradle Mountain gereserveerd.

Voor wie denkt dat de ijle berglucht mijn herseninhoud heeft aangetast: we spreken hier niet over Big Foot of het monster van Loch Ness. De Tasmaanse tijger heeft officieel geleefd – met zekerheid tot 1936. Daarna beweerden een hoop mensen het beest nog gezien te hebben, alleen hadden ze nooit een fototoestel op zak. In de laatste vijftig jaar kwamen er bij de Tasmanian National Parks & Wildlife Service (TNPWS) meer dan vierduizend meldingen binnen, driehonderd werden als hoogst betrouwbaar beschouwd. Hiervoor gebruikten experts The Smith’s Rating System. Een formule die een quotatie berekende op basis van drie verschillende parameters: de beschrijving van het beest, de locatie van de waarneming en de mentale geestestoestand van de getuige. De tijger werd immers nogal veel in de pub gezien. Sommigen geraakten na het zien van een thylacine zo geobsedeerd dat ze er hun levenswerk van maakten. Buck en Joan Emberg, een koppel universiteitsprofessoren uit Launceston, trekken al twintig jaar het land rond om tigersightings te verzamelen. In hun dorp alleen al noteerden ze twintig betrouwbare waarnemingen, nationaal staat de teller op 380. Zelf zag het koppel de thylacine twee keer, het laatst in 1982. De twee hadden toen ook uitwerpselen van het beest gevonden. Ze trokken ermee naar het TNPWS, maar de plaatselijke ranger gooide de keutels in de vuilbak. Buck Emberg was woedend. “Onnozelaar, je hebt zonet belangrijk bewijsmateriaal vernietigd!” De ranger lachte. “Man, dat betekent niks. Ik ben niet geïnteresseerd in foto’s, pootafdrukken of uitwerpselen. Ik wil een tijger met de ochtendkrant in zijn muil.”

Volgens het koppel wordt het bestaan van de thylacine bewust in de doofpot gestopt. “De overheid heeft er alle belang bij dat nooit nog iets van de Tasmaanse tijger wordt vernomen. Als namelijk onomstotelijk bewezen wordt dat hij nog leeft zou de houtkap en de industrie op grote delen van het eiland aan strenge banden worden gelegd. De Tasmaanse tijger is een nationaal symbool. Ze kunnen moeilijk openlijk zijn habitat vernietigen.” schrijven ze op hun website.

De Embergs zouden wel eens gelijk kunnen hebben. Al jaren leven milieuactivisten en industriëlen hier op voet van oorlog. De vete gaat terug naar de jaren ’60 toen de Tasmaanse regering het reusachtige Lake Pedder wou indammen. Door de grootste waterkrachtcentrale van het zuidelijk halfrond te bouwen, wilde men bedrijven van goedkope elektriciteit voorzien. De bewindsleiders waren ervan overtuigd dat het eiland hierdoor een industrieel paradijs zou worden. Heel wat eilandbewoners vreesden echter een desastreuze impact op het milieu en richtten de UTG (red. United Tasmanian Group) op. Deze eerste groene politieke partij ter wereld was een doorn in het oog voor degenen die de industriële vooruitgang wel toejuichten. De spanningen tussen voor- en tegenstanders van de indamming liepen hoog op, met als apotheose de mysterieuze verdwijning Brenda Hean, een kopstuk van de UTG. In 1972 besefte Brenda Hean dat er maar één mogelijkheid was om Lake Pedder te redden. Ze moest de nationale autoriteiten overtuigen om de beslissing van de Tasmaanse regering ongedaan te maken. Op 8 september 1972 vloog ze van Hobart naar Canberra, maar het sportvliegtuigje kwam nooit op zijn bestemming aan. De dag voor haar vertrek had Hean een vreemd telefoontje gekregen: “Wat denk je ervan om morgen te gaan zwemmen?” Achteraf merkte men dat de deur van de vliegtuighangar was geforceerd. Ondanks deze aanwijzingen weigerde de autoriteiten een onderzoek in te stellen. Niemand weet wat er met Brenda Hean gebeurd is. Het vliegtuigwrak werd nooit gevonden. Een paar weken na haar verdwijning werd Lake Pedder drooggelegd.

 

Nog steeds verdelen spanningen tussen ecologisten en industriëlen het eiland. Autostickers met ‘Tasmania your natural state’ worden in het straatbeeld afgewisseld met ‘Greens are liars’. De laatste jaren ligt vooral de papierindustrie onder vuur. Houthakkers hebben hun oog laten vallen op het noordoosten van Tasmanië. Omdat daar heel wat natuurgebieden onbeschermd zijn, kunnen ze er ongestoord hun gang gaan. Al zou dat snel kunnen veranderen als iemand er een Tasmaanse tijger vindt. De overheid is opvallend karig met informatie over de thylacine. Ondanks de driehonderd betrouwbare waarnemingen, vind je op de officiële website van het Tasmanian Department of Wildlife enkel de sighting van Hans Naarding uit 1982 terug. Da’s vreemd, want je hoeft geen expert te zijn om bij de getuigenis van de Hollander de wenkbrauwen te fronsen. “Op een nacht stond ik oog in oog met een thylacine. De tijger maakte geen aanstalten om weg te gaan, pas toen ik na drie minuten naar mijn camera greep, verdween het beest in de bush.” Het valt moeilijk te begrijpen waarom iemand die al jaren op zoek is naar de thylacine, drie minuten wacht om een foto te nemen. Niettemin is dit dé enige sighting die de Tasmaanse autoriteiten belangrijk genoeg vonden om te vermelden.  In 2005, na de heisa rond de foto’s van Emmerichs, kwam het magazine ‘The Bulletin’ met een opmerkelijk voorstel op de proppen. Ze loofden een beloning uit van 1,25 miljoen dollar voor wie als eerste een levende thylacine kon vangen. Onmiddellijk liet de overheid weten dat de premie onmogelijk kon uitgekeerd worden. Er was immers geen jachtvergunning uitgeschreven.

Voor we naar Cradle Mountain trekken, bezoeken we nog snel even het Tasmanian Museum. Ik verwacht een pak informatie over de thylacine, maar er is vooral aandacht voor de geschiedenis van het vaderland. Dat is nogal een zielig verhaal. Om te beginnen was de ontdekking van Tasmanië in 1642 een ongelukje. De Nederlandse zeevaarder Abel Tasman zocht eigenlijk Australië, maar raakte de weg kwijt en botste op een kleiner, zuidelijker gelegen, eiland. Hij noemde het Van Diemen’s Land en liet het verder ongeïnteresseerd achter. In 1798 kwamen de eerste Europeanen aan land. Ruwe zeebonken die op zeehonden jaagden, maar tussendoor ook een Aboriginalvrouwtje lustten. De inheemse vrouwen werden gekidnapt, dienden als seksslaven en werden na consumptie vermoord. Het was nog maar een voorproefje voor wat komen moest. In tegenstelling tot de Australische Aboriginals, slaagden de Britse kolonisten er hier wél in alle inheemsen uit te roeien. Al liep dit niet meteen van een leien dakje. De Aboriginals trokken zich in de Tasmaanse wildernis terug en voerden vandaar uit een guerrillaoorlog. In 1830 besloten de Britten er korte metten mee te maken. In een poging om alle Aboriginals in een uithoek van het land bijeen te drijven, trok de Black Line, een menselijke ketting van duizenden Britse soldaten, van oost naar west door Tasmanië. Toen ze aan de andere kant van het eiland aankwamen hadden ze één bejaarde Aboriginal gevangen. De grap had miljoenen gekost en de Britten besloten de kaart van ‘de diplomatie’ te trekken. De welbespraakte August Robinson kon de Aboriginals overtuigen hun wapens neer te leggen en naar de voor hen opgerichte nederzettingen te trekken. De Aboriginals dachten hun spirituele gronden terug te krijgen, maar werden op Flinders Island, een eiland in de Basstraat, gedropt. Daar werden ze aan hun lot overgelaten en stierven aan ondervoeding, Europese ziektes en heimwee. In 1856 schoten er nog 47 Aboriginals over. Het select groepje werd naar Oyster Cove gebracht, waar ze als curiosa werden opgevoerd. In 1876 stierf de wereldberoemde Truganini, de laatste Tasmaanse Aboriginal. Net voor we het museum buiten stappen merk ik in de inkomsthal een televisietoestel op. We zien een zwart-wit filmpje van een Tasmaanse tijger die zenuwachtig in een kooi rondloopt.  “Dit is ‘Benjamin’, de laatste thylacine. Hij stierf op 6 september 1936 in de zoo van Hobart,” lees ik op het infobordje. Een menselijk foutje had de laatste Tasmaanse tijger het leven gekost. De parkopzichter had zijn hok afgesloten en het beest buiten laten doodvriezen. Ik sta versteld. Het enige wat ze me in het Tasmanian Museum over dit mythische dier kunnen tonen, is 61 seconden oud filmmateriaal. Een opgezet exemplaar van de laatste thylacine is er niet, Benjamin werd met het vuilnis weggegooid. De man aan de infobalie lijkt mijn gedachten te raden. “Ik weet het,” zegt hij. “Maar toen dacht men dat er nog genoeg tijgers rondliepen.”

Jammer genoeg was dat het geval niet. Toen de Britse kolonisten rond 1850 schapen begonnen te kweken, merkten ze dat nogal veel lammetjes in de muil van een thylacine verdwenen. In 1888 besloot de regering jachtpremies uit te schrijven: voor elke dode tijger werd één pond betaald. Dat rendeerde en rond 1930 werd nog maar zelden een Tasmaanse tijger gezien. Toen de regering in april 1936 – enkele maanden voor de dood van Benjamin – besloot de soort te beschermen, was dat mosterd na de maaltijd. “Wat denkt u, mijnheer? Leeft de thylacine nog in het wild?” vraag ik aan de museumconservator. “Dat weet ik écht niet,” zegt hij. “Maar ik ben er zeker van dat Benjamin niet de laatste was. De premiejagers kunnen onmogelijk alle Tasmaanse tijgers uitgeroeid hebben. In Tasmanië zijn er nog steeds plaatsen waar geen mens ooit een voet zette. De thylacines die daar leefden hebben zich makkelijk kunnen voortplanten.”

“Maar waarom zag men ze vroeger wel en nu niet meer?” vraag ik.

“Omdat een soort zichzelf terug uitvindt. Natuurlijke selectie, heet dat. De jagers hebben vooral de tijgers geëlimineerd die het meest voor hun voeten liepen. Tijgers die niet zo graag in het openbaar verschenen moeten die periode overleefd hebben. Deze schuwe beesten gaven hun genen aan hun nakomelingen door, waardoor het beest nu verkiest om teruggetrokken in de wouden te leven. De kans om er één te zien is klein. Thylacines ruiken mensen van op mijlen afstand. Je kan een Tasmaanse tijger ook niet horen: ze maken geen geluid, enkel in uitzonderlijke stresssituaties blaffen ze.”

Omdat in een tijdspanne van vijftig jaar de Tasmaanse tijger niet meer officieel werd waargenomen, verklaarde men in 1986 de soort ‘uitgestorven’. Al hoeft dit niet definitief te zijn. In 1843 ontdekte de natuurkenner John Gould een konijn dat verdacht veel op een kangoeroe leek. Het bleek de woestijnkangoeroerat te zijn, een buidelachtige die zich met een duizelingwekkende snelheid kon verplaatsten. Na Gould zag niemand het beest nog, tot in 1931 Herbert Finlayson – negentig jaar na Gould – de Sturt’s Desert introk. Tot zijn verbazing zag de zooloog de beestjes vrolijk voor zijn voeten rondhuppelen. Finlayson was in de wolken met de herontdekking en plande het jaar daarop een nieuwe expeditie. Hij keerde elke steen van de Sturt’s Desert om, maar kon de woestijnkangoeroerat niet meer vinden. Tot op heden zag niemand het beest nog, maar omwille van zijn voorgeschiedenis wil men het dier niet ‘uitgestorven’ verklaren. Sommige wetenschappers versnelden eigenhandig het einde van een soort. In 1857 had de zooloog Gerard Krefft in de Gibson Desert twee uiterst zeldzame varkenspootborstelratten gevangen. Krefft had echter honger gekregen en de beesten opgegeten. Daarna werd de varkenspootborstelrat nooit meer waargenomen. Nog schrijnender is het verhaal van Malcolm Douglas. Deze Australische tegenhanger van David Attenborough maakt documentaires die zowat het midden houden tussen S.O.S Piet en The National Geographic. De excentrieke cowboy jaagt hierin met speren en boemerangs op wilde dieren die hij vervolgens met de juiste kruiden op een kampvuurtje klaarmaakt. Bij zijn fratsen vergeet de man wel eens dat hij een cameraploeg bij zich heeft. Zo verloor een geluidsman bijna een been omdat Malcolm in al zijn enthousiasme een witte haai aan boord had gehesen. Als hij geen honger heeft, zoekt Malcolm graag zeldzame diersoorten op. Zo filmde hij in 1990 als eerste mens ter wereld de thumblong mole. Deze compleet blinde mol is een belangrijk symbool in de mythologie van de Aboriginals, maar het was tot dan onduidelijk of het beest al dan niet uitgestorven was. In oktober 1990 trok Douglas met een paar oude Aboriginalkrijgers de woestijn in om naar het beest te zoeken. Het wonder geschiedde: de mannen vingen het dier in een strop en Douglas had zijn wereldprimeur beet. Nadat hij de mol gefilmd had, wou Douglas het dier bevrijden, maar dat was niet naar de zin van de Aboriginals. Een dierenverzamelaar had hen voor een gevangen exemplaar 2000 dollar beloofd en ze wilden het dier naar Alice Springs meenemen. Terwijl Malcolm met de Aboriginals ruzie maakte, legde de mol achter zijn rug het loodje. Het leek alsof Malcolm Douglas een kind verloor. Nooit zag ik een televisiefiguur zo radeloos in de cameralens kijken.

Een paar uur later rijden we met de bus het Cradle Mountain National Park binnen. Bij het uitstappen worden we door James, een parkwachter, onthaald. “Welkom bij het beginpunt van The Overland Track,” zegt de man. “Wie straks niet wil doodgaan, kan best even naar me luisteren.” Met arendsogen inspecteert James mijn outfit. “Mooie broek, maar waardeloos. In een jeans kan je sterven. Die dingen drogen niet op na de regen. Je gaat doodvriezen.” Ik merk dat ik lichtjes begin te zweten. “Heb je iemand op het thuisfront verwittigd?” vraagt James. “Euh, neen,” prevel ik. “Wil je dat dan onmiddellijk doen? Wat als je straks je nek breekt? Twee jaar geleden stapte hier een Deen van een bergrichel. Niemand had zijn verdwijning opgemerkt, dus zijn we hem ook niet gaan zoeken. Gelukkig vonden we twee maanden later zijn rugzak terug. Zijn familie heeft hem niet eens kunnen begraven, de duivels hadden zijn lichaam opgegeten.” Ik knipper eventjes met mijn ogen. Een tijger tot daar aan toe, maar Satan en Lucifer had ik hier niet echt verwacht.

“Een duivel, zegt u?” James kijkt me ernstig aan. “Ja, de Tasmaanse duivel is net als een hyena: hij jaagt niet, maar vreet kadavers op. Ze zijn maar een wip groot, maar ze hebben het sterkst ontwikkelde gebit van alle zoogdieren. Alles krijgen ze naar binnen, tot de huid en beenderen toe. De duivels aten vroeger de restjes van de Tasmaanse tijger op. Nu zijn ze vooral langs de weg op zoek naar aangereden wallaby’s. Met als gevolg dat ze zelf onder een auto terecht komen. Elk jaar sterven er op die manier duizenden duivels. Bovendien kampt het beest met een besmettelijke, ongeneeslijke tumorziekte. Door de devil facial tumor disease (DFTD) is de populatie de laatste vijf jaar gehalveerd. Binnen tien jaar zal de Tasmaanse duivel uitgestorven zijn.”  Net voor we vertrekken heeft James nog één mededeling voor ons. “Momenteel zijn de slangen erg actief. Het is dertig jaar geleden dat er in Tasmanië iemand aan een slangenbeet stierf, maar ik zou jullie toch aanraden uit te kijken waar je je voeten zet. En nog iets: wie ons een foto van een vos bezorgt krijgt 1000 dollar. Het beest is een pest voor alle zoogdieren, dus we willen graag weten als er eentje in ons park rondloopt.” Ik hang meteen het fototoestel iets strakker rond mijn nek. “Wat betalen jullie voor een foto van een Tasmaanse tijger?” vraag ik terloops. James lacht. “Miljoenen!” Na amper twee kilometer verschijnen de dollartekens in mijn ogen. Voor me zit een groot bruin dier in het struikgewas. “Stil Celine,” fluister ik, “we zijn de lotto aan het winnen.”  Wanneer het beest zijn hoofd draait kijk ik echter in de ogen van een wombat. Het Cradle Mountain National Park is een beestenparadijs. Na twee uur stappen heb ik drie wallaby’s, een Tasmaanse duivel en een mierenegel gezien. Die laatste is naast de platypus het enige zoogdieren dat eieren legt. Terwijl ik het beest nauwkeurig op mijn lens vastlegt – je kan nooit weten of James er centen voor over heeft – krijst Celine mijn trommelvlies aan diggelen. “Jeroen, een slang! Je bent er net over gelopen.” Achter mij kronkelt een zwarte tijgerslang, één van de dodelijkste beesten ter wereld. In de top 100 der giftigste slangen, staat de tijgerslang op plaats 8, voor de koningscobra en de zwarte mamba. Het gif dat bij één beet vrijkomt is voldoende om een volledig rugbyteam te doden. Ik doe het bijna in mijn broek maar de slang verdwijnt sneller dan hij gekomen is. James heeft gelijk, de slangen zijn behoorlijk actief. Het kost ons zelfs moeite om er niét op te trappen. Van overal duiken ze op en wanneer we aan de hut komen kronkelt er zelfs eentje op het buitenterras. In de deuropening staat een man heftig foto’s te nemen. “Zou je de deur niet dichtdoen?” vraag ik ongerust. “Ik heb geen zin om straks een tijgerslang in mijn slaapzak te vinden.” De man heet Roy en is net als ik op zoek naar de thylacine. ”Vijf jaar geleden heb ik een Tasmaanse tijger gezien,” zegt Roy. “Nog voor ik mijn videocamera kon aanzetten, was het beest echter verdwenen. Toch heb ik bewijsmateriaal kunnen verzamelen.” De man gaat in zijn rugzak en toont me een foto van dood schaap. “Die lag op honderd meter van de plek. De grote gapende wonden zijn karakteristiek voor de beet van een Tasmaanse tijger. De thylacine kan als enige roofdier zijn bek 120° spreiden. Zie je die wonden aan het hoofd? De thylacine eet graag de hersenen van zijn prooi op. Naast dit schaap lagen er nog twee kadavers. Toen ik ze wou onderzoeken werd ik echter door een boswachter weggejaagd. De man werkte voor de Noolworth Compagnie. Die bezitten in Tasmanië honderdduizenden hectaren natuurgebied waar ze schapen houden. Het gerucht gaat al een tijdje de ronde dat schapenboeren af en toe een tijger doden.” Roy kijkt voor zich uit en slaakt een zucht. “Ik hoop dat ik hem vind voor ze hem terug tot leven wekken.” Onze vriend heeft het over de recente pogingen om de Tasmaanse tijger te klonen. In 2008 werd er uit de haren van twee museumexemplaren gezond DNA geëxtraheerd. Het erfelijk materiaal werd in het embryo van een muis ingebracht en bleek zich perfect te integreren. Na een tijde stuurde het gen de productie van kraakbeen. Een deeltje Tasmaanse tijger kwam hierdoor tot leven, al is Jurassic Park nog niet voor morgen. De wetenschappers hebben nog maar een klein stukje van zijn DNA in kaart gebracht. Maar er is meer: tijdens het genetisch onderzoek ontdekten de wetenschappers dat het erfelijk materiaal van de twee onderzochte museumspecies haast identiek was. Hét bewijs dat het met de genetische diversiteit van de soort aan de vooravond van zijn verdwijning heel slecht gesteld was. De Tasmaanse tijger zou hierdoor kwetsbaar geweest zijn tegenover bacteriële en virale ziektes. Slecht nieuws voor de believers, want het maakt de kans dat het beest effectief uitgestorven is alleen maar groter. Roy haalt zijn schouders op. “Wat zegt dat? Er is ook nog iets als the survival of the fittest. De enkelen die overleefden zullen net beter bestand zijn tegen ziektes. Trouwens, dat klonen vind ik maar niks: ik geloof nooit dat we hetzelfde dier terug krijgen.”

Zes dagen lang trokken Celine en ik met Roy het park door, maar we zagen geen Tasmaanse tijger. Bij ons afscheid werd Roy lichtjes emotioneel. “Wil je iets voor me doen? Je bent journalist. Schrijf dat de mensen naar de tijger moeten blijven zoeken. We kunnen de soort enkel redden door het beest te vinden. Zijn habitat verdwijnt als sneeuw voor de zon. Het is vijf voor twaalf.” Hij neemt me bij de schouder vast en wijst met zijn arm naar de beboste horizon.  “Believe me, mate. They’re out there.”